De verdachte heeft verklaard dat hij zelf (ook) is beschoten. Hoewel de stukken in het dossier deze lezing van de verdachte niet uitsluiten, leidt dat niet tot een ander oordeel ten aanzien van de bewezenverklaarde poging tot moord. Noch uit de verklaring van de verdachte, noch uit enig ander bewijsmiddel volgt dat aanknopingspunten voor de aanwezigheid van een rechtvaardigings- of strafuitsluitingsgrond bestaan.’’
3.4. Het
eerste middelkomt op tegen de bewezenverklaring van de onder 1 bewezenverklaarde poging tot moord en bevat vier deelklachten. De stellers van het middel voeren aan dat:
(i) uit de gebezigde bewijsmiddelen niet het bewezenverklaarde opzet kan worden afgeleid;
(ii) uit de gebezigde bewijsmiddelen niet de bewezenverklaarde voorbedachte raad kan worden afgeleid;
(iii) de bewijsvoering – voor zover zij vermeldt dat tussen het schieten van de verdachte en zijn aanhouding zodanig veel tijd is verstreken dat voor hem voldoende mogelijkheid heeft bestaan om de schotresten op zijn kleding en/of handen te verwijderen – berust op redengevende feiten en omstandigheden die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken; en
(iv) sprake is van denaturering van de tot het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte.
3.5. Ten aanzien van het opzet voeren de stellers van het middel aan dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte gericht heeft geschoten op [slachtoffer] en dat [slachtoffer] zich daarbij (voor de verdachte kenbaar) achter een keukenraam bevond. Omdat de bewijsmiddelen ook geen informatie verschaffen over de wijze waarop door de verdachte is geschoten en de risico’s die daaraan voor [slachtoffer] waren verbonden, kan uit de bewijsvoering niet worden afgeleid dat het (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] gericht is geweest.
3.6. Het hof heeft geoordeeld dat “de verdachte ten minste het voorwaardelijk opzet heeft gehad [slachtoffer] van het leven te beroven’’. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg geldt als voorwaarde dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat het betreffende gevolg zou intreden en dat hij die kans willens en wetens heeft aanvaard of bewust op de koop heeft toegenomen. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet hangt – als de verklaringen van de verdachte geen inzicht geven in wat er tijdens de gedraging in hem is omgegaan – af van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
3.7. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof voor het aannemen van voorwaardelijk opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer] slechts heeft vastgesteld dat de verdachte van buiten naar binnen heeft geschoten, dat [slachtoffer] verklaard heeft bij binnenkomst te zijn gaan schuilen in de keuken naast de keukenkast en dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de verdachte “gericht (heeft) geschoten op [slachtoffer] die zich achter een keukenraam bevond” zoals het hof heeft vastgesteld. Deze klacht berust op een te beperkte lezing van de bewijsmiddelen. Het hof heeft voor de bewezenverklaring van het voorwaardelijke opzet immers ook gebruik gemaakt van de verklaring van de verdachte ‘’ik zal iedereen neerschieten’’ en ‘’vandaag gaan jullie allemaal naar je moer’’, van de verklaring van [slachtoffer] dat de verdachte daadwerkelijk schoten heeft gelost op [slachtoffer] die naar de keuken van zijn woning vluchtte met de verdachte in zijn kielzog, dat [slachtoffer] een schot door het keukenraam hoorde gaan en gewond raakte door de scherven van het keukenraam. Hieruit heeft het hof kunnen afleiden dat [slachtoffer] zich tijdens het schieten in de keuken achter het keukenraam bevond.Dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet bewezen moet worden dat de verdachte gericht heeft geschoten op “een (voor hem zichtbare) [slachtoffer]” , zoals in het middel wordt gesteld, is onjuist. Vereist is dat de verdachte zich van de locatie van [slachtoffer] bewust moet zijn geweest en die bewustheid kan ook worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval.Daar komt nog bij dat ten aanzien van het (voorwaardelijke) opzet in hoger beroep door de verdediging geen verweer is gevoerd. Het hof was dan ook niet gehouden zijn oordeel hieromtrent nader te motiveren, zodat deze klacht faalt.
3.8. Ten aanzien van de voorbedachte raad wordt aangevoerd dat uit het enkele verstrijken van (ongeveer) twee uren tussen het eerste en tweede treffen niet zonder meer kan worden afgeleid dat sprake is geweest van voorbedachte raad. Ook het oordeel van het hof dat geen sprake is van contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad zou niet zonder meer begrijpelijk zijn. Uit bewijsmiddel 1 blijkt volgens de stellers van het middel dat de verdachte boos was terwijl hij iedereen begon uit te schelden en dat hij zijn balans had verloren hetgeen – naar uit de uitgebreidere weergave van dit bewijsmiddel in het vonnis in eerste aanleg volgt – verband hield met het feit dat de verdachte totaal onder invloed van alcohol verkeerde. Bij die stand van zaken had volgens de stellers van het middel een nadere motivering van het hof dienen te worden gegeven over de onaannemelijkheid van het bestaan van contra-indicaties.
3.9. Volgens vaste jurisprudentie moet voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad komen vast te staan, dat een verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen, of het genomen, besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat een verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
3.10. In het onderhavige geval heeft het hof vastgesteld dat de verdachte tweemaal op het erf van het slachtoffer is geweest, waarbij hij de eerste keer in conflict was met de daar aanwezigen en heeft aangekondigd terug te komen en iedereen – waaronder het latere slachtoffer – neer te gaan schieten. Vervolgens is de verdachte enige tijd later daadwerkelijk bewapend met een vuurwapen teruggekomen en heeft hij op het slachtoffer geschoten. Het hof heeft – niet onbegrijpelijk – vastgesteld dat tussen de dreiging van de verdachte om te gaan schieten en de uitvoering van dit dreigement tijdens het tweede bezoek, enkele uren zijn verstreken en de verdachte dus gelegenheid heeft gehad om na te denken over zijn voorgenomen daad. Het hof mocht voor het aannemen van voorbedachte raad deze objectieve aanwijzing als uitgangspunt nemen, omdat het redelijk is aan te nemen dat de verdachte ook gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de gevolgen van zijn daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.Wat betreft de dronkenschap van de verdachte als contra-indicatie, ben ik van mening dat het hof hier niet ambtshalve op had hoeven aanslaan. Het gebruik van alcohol door de verdachte staat het aannemen van de voorbedachte raad namelijk niet in de weg.Alcoholgebruik kan weliswaar een plotselinge gemoedsopwelling faciliteren, maar dan is dat laatste de contra-indicatie en daaromtrent is in hoger beroep niets door de verdediging aangevoerd of gebleken.Ook de boosheid van de verdachte tijdens het eerste treffen hoefde het hof niet als een contra-indicatie te beschouwen of in zijn motivering te betrekken. Boosheid staat het aannemen van voorbedachte raad niet in de weg.Het oordeel van het hof dat er sprake was van voorbedachte raad is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Van enige contra-indicaties die aanleiding zouden kunnen vormen om tot een ander oordeel te komen is geen sprake en deze zijn ook ten overstaan van het hof door de verdediging niet aangevoerd. Daarmee faalt ook deze deelklacht.
3.11. De derde deelklacht houdt in dat het hof bij de verwerping van een bewijsverweer gebruik heeft gemaakt van redengevende feiten en omstandigheden die niet blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen, noch uit anderszins met voldoende mate van nauwkeurigheid aangeduide wettige bewijsmiddelen. Het gaat daarbij om de volgende overweging van het hof:
‘’Dat, zoals namens de verdachte is aangevoerd, geen schotresten op de handen en/of kleding van de verdachte zijn aangetroffen, legt onvoldoende gewicht in de schaal voor het oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte het verweten gedrag heeft begaan. Tussen het schieten door de verdachte en zijn aanhouding is zodanig veel tijd verstreken, dat voor hem voldoende mogelijkheid heeft bestaan deze sporen te verwijderen.’’