Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
6 februari 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van gewelddadige overvallen en kreeg een gevangenisstraf van zeven jaren opgelegd. In cassatie stelde de verdachte dat de bewezenverklaring te zeer steunde op getuigenverklaringen zonder voldoende compensatie voor het beperkte ondervragingsrecht en dat het hof getuigenverklaringen gebruikte in afwijking van het uitgangspunt van hoor en wederhoor.
De Hoge Raad oordeelde dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden en dat er geen noodzaak was tot nadere motivering. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden.
Deze termijnoverschrijding leidde tot vermindering van de straf. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en verminderde de gevangenisstraf van zeven jaar naar zes jaar en acht maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Van den Brink en Van Strien op 6 februari 2018.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van zeven jaar naar zes jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.