Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] in strijd met art. 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM voor het bewijs heeft gebruikt, nu de verdediging niet effectief in staat is geweest deze verklaringen te toetsen terwijl zij in een beslissende mate hebben bijgedragen aan de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 5 en 6.
hij in de periode van 4 juni 2007 tot en met 5 juni 2007 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet:
EN
met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sleutels en geldbedragen toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,
proces-verbaal van bevindingend.d. 31 januari 2011 van de politie Haaglanden met nr. 15J2/2010/2010113453. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :
proces-verbaal van verhoor verdachte[betrokkene 1] d.d. 27 januari 2011 van de politie Haaglanden met nr. 15J2/2010/2010113453. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -
Schatschaschwili/Duitsland, waarin de Grote Kamer van het EHRM oordeelde dat het ondervragingsrecht was geschonden. [3] Ook in die zaak bevestigden telefoongegevens en GPS-data dat de klager in de zaak zich ten tijde van de aan hem tenlastegelegde beroving van twee prostituees in de buurt van de plaats delict had bevonden. Wezenlijk verschil met de voorliggende zaak is echter dat Schatschaschwili zijn aanwezigheid op de plaats delict niet betwistte, maar ontkende dat de hem tenlastegelegde strafbare feiten zich hadden voorgedaan. Hij had namelijk verklaard in het appartement te zijn geweest om van de diensten van de vrouwen gebruik te maken. In die zaak berustte de bewezenverklaring voor de beroving daardoor primair op de verklaringen van de vrouwen, terwijl in de voorliggende zaak juist de aanwezigheid van de verdachte bij alle bewezenverklaarde feiten, welke hij ontkent en waarvoor hij geen verklaring heeft gegeven, essentieel is. Om die reden zijn juist de verkeer- en zendmastgegevens beslissend, terwijl de verklaringen van de getuigen, onder wie [betrokkene 1] daaraan steun bieden.
dan wel(ii) het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om die getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd. Nu het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de verklaring van de getuige [betrokkene 1] voor de bewezenverklaring niet beslissend is geweest, was het hof niet gehouden te onderzoeken of het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid voldoende is gecompenseerd. Ook deze deelklacht mist doel.
tweede middelklaagt dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het de verklaringen van de getuige [medeverdachte 2] , in afwijking van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de betrouwbaarheid daarvan, voor het bewijs heeft gebruikt.
proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] ,met bijlagen, d.d. 14 juli 2010 van de politie Haaglanden. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. V/RAM/31-50)):
Als de op 14 juli 2010 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] :
V: Uit jouw historische belgegevens blijkt dat jij daar op 5 juni 2007 was. Wat deed je daar?A: Ik weet het niet meer.
O: Wij verbalisanten tonen de foto nummer 15.A: ja, met hem was ik. Dat is [medeverdachte 1] .
Hij zou geld storten op de rekening van [betrokkene 6] (het hof begrijpt: [betrokkene 6] )
O: wij verbalisanten tonen foto nummer 5.A: ja dat is die man met wie hij een afspraak had. Ik ken hem als [betrokkene 2] . Ik zag hem aankomen
proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2]d.d. 15 juli 2010 van de politie Haaglanden. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. V/RAM/51-53)):
als de op 15 juli 2010 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] :
“7. Verklaring [medeverdachte 2]
NJ2006/393, m.nt. Buruma heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
derde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken van het geding te laat door het hof zijn ingezonden.