ECLI:NL:HR:2018:1620

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 september 2018
Publicatiedatum
13 september 2018
Zaaknummer
17/06022
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslag loonheffing

Belanghebbende, een vennootschap gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, was in geschil met de Belastingdienst over een naheffingsaanslag loonheffing en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente over het tijdvak van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010. Na een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland en een hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad ontving de klachten van belanghebbende en het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën, evenals de daarop volgende conclusies van repliek en dupliek. Na beoordeling oordeelde de Hoge Raad dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat er geen noodzaak was tot nadere motivering omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

Ten aanzien van de proceskosten oordeelde de Hoge Raad dat er geen gronden waren voor een veroordeling in de proceskosten. De Hoge Raad verklaarde vervolgens het beroep in cassatie ongegrond en sprak het arrest uit op 14 september 2018.

Deze uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen van lagere rechters en sluit het geschil definitief af zonder verdere inhoudelijke behandeling van de klachten.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

14 september 2018
Nr. 17/06022
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] Limitedte
[Z], Verenigd Koninkrijk (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 14 november 2017, nr. 16/00383, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord‑Holland (nr. HAA 15/2772) betreffende de aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 opgelegde naheffingsaanslag loonheffing en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2018.