Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
6 februari 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor schuldheling van een grote hoeveelheid gereedschappen die kort na diefstal in zijn bestelbus werden aangetroffen. Het hof had vastgesteld dat verdachte de gereedschappen uit winstbejag voorhanden had, mede gelet op de aard en omvang van de kostbare goederen en het ontbreken van een aannemelijke verklaring voor een ander doel.
De verdachte verklaarde dat hij de gereedschappen van een kennis had gekocht en vooraf had gecontroleerd via een website of ze als gestolen stonden geregistreerd. Deze verklaring werd door het hof niet aannemelijk geacht, mede omdat verdachte niet wilde zeggen wie die kennis was en de verklaring van de bijrijder niet overeenkwam met die van verdachte.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat het om door misdrijf verkregen goederen ging. Het oordeel dat het bestanddeel 'uit winstbejag' was vervuld, was voldoende gemotiveerd. Het cassatieberoep werd verworpen en de zaak werd terugverwezen voor hernieuwde berechting in zoverre het arrest werd vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor schuldheling van een grote partij gestolen gereedschappen en verwierp het cassatieberoep.