Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
als verklaring van [betrokkene 1]:
als verklaring van [betrokkene 1]:
€2.500,- was verhoogd, namelijk op 26 juni 2013 en 2 juli 2013. Ik ben toen gaan bellen met Santander. Ik werd doorverbonden met [betrokkene 2]. (...) [betrokkene 2] kende geen [betrokkene 3] van Santander. (...) Pas eind juli begin augustus begon ze weer te bellen. Ze vroeg of het geld al binnen was en ik heb toen gezegd dat het geld binnen was, terwijl ik wist er geen geld door Santander overgemaakt zou worden naar mijn Rabobankrekening. Ik heb haar toen gezegd dat ik een computerstoring had, waardoor ik zelf geen betalingen meer kon doen via internetbankieren. Ik vroeg haar het banknummer, om het geld later over te maken. Ze wilde me geen banknummer geven en ze heeft ook geen bedragen genoemd. Zij zei dat ze niet weer terug zou bellen, maar een collega van haar. Een paar dagen later, dat was op 8 of 9 augustus werd ik gebeld door een vrouw die zich [betrokkene 4] noemde en zei dat ze van Santander was. Deze [betrokkene 4] had het over renteverlaging en woekerpolissen. Ze zei dat ik daar geld van terug zou krijgen. Ik zou het bedrag op mijn bankrekening ontvangen en omdat ik door de computerstoring die ik had, geen geld kon overmaken zouden ze het geld komen halen. Ik heb toen contact gehad met [betrokkene 2] en die adviseerde me aangifte te doen. Ik ben toen naar het bureau geweest. Nadat ik op het bureau was geweest belde [betrokkene 4] met de boodschap dat het geld dinsdag gehaald zou worden. Ik heb gezegd dat dat niet kon en op die manier heb ik datum uitgesteld.
- als relaas van verbalisant [verbalisant 3]:
- als relaas van verbalisant [verbalisant 5]:
als relaas van verbalisant [verbalisant 6]:
(het hof begrijpt: 15 augustus 2013)meerdere malen contact gehad te hebben met een persoon die belde namens Santander. Er werd gevraagd of er al personen bij haar waren geweest. Dit was niet het geval geweest. Zij verklaarde dat in verband met renteverlaging er € 2.000,- betaald moest worden en dat dit geld vandaag om 15.00 uur opgehaald zou worden. Zij werd kort op de hoogte gebracht en werd verzocht indien er personen aan de deur zouden komen direct contact te zoeken met de politie.
als relaas van verbalisant [verbalisant 5]:
de bankgegevens van verdachte:
als verklaring van verdachte [verdachte]:
ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het rechtredelijkerwijs moest vermoeden dat het goed door een misdrijf was verkregen, terwijl voor de variant onder b – naast het winstbejag – moet worden bewezen dat de verdachte op
enig moment tijdens het voorhanden hebben of overdragen van het goed, dan wel bij het overdragen van een recht op het goedredelijkerwijs had moeten vermoeden dat het goed door een misdrijf was verkregen. [2]
verdachte ten tijde van het voorhanden krijgenvan de geldbedragen. Hoewel die overwegingen van het hof – dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de geldbedragen redelijkerwijs had moeten weten dat de geldbedragen door misdrijf zijn verkregen – beter aansluiten bij een bewezenverklaring van art. 417bis lid 1 aanhef onder a, sluiten zij een bewezenverklaring van art. 417bis lid 1 aanhef onder b Sr niet uit. De delictsomschrijving van deze laatste variant vereist immers dat de verdachte
minimaal op enig moment tijdens het voorhanden hebbenvan de geldbedragen redelijkerwijs moest vermoeden dat deze bedragen door een misdrijf zijn verkregen. Wanneer het hof die ‘wetenschap’ al aanwezig acht ten tijde van het voorhanden krijgen van de geldbedragen, dan is die wetenschap er ook nadien. De steller van het middel heeft daar ook wel oog voor, “maar dan dient (…) wel bewezen te worden dat de verdachte handelde ‘uit winstbejag’.”
NJ2018/233, m.nt. N. Rozemond blijkt dat voor de vaststelling van het handelen uit winstbejag betekenis kan worden toegekend aan ‘de aard en omvang’ van de goederen die de verdachte voorhanden heeft en de verklaring die hij al dan niet over die goederen heeft afgelegd. [4] In de casus die ten grondslag ligt aan het arrest van 6 februari 2018 ging het om een grote hoeveelheid kostbare gereedschappen. In rov 2.3. van dit arrest overweegt de Hoge Raad:
aardvan het goed (geld) en de
omvangvan het geldbedrag (€ 3.700,00) maakt de stap naar het bewijs van het handelen uit winstbejag overbrugbaar, zeker als – zoals in casu – i. uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de gelden zijn gestort op de bankrekening van een op naam van de verdachte staand eenmansbedrijf, dat de verdachte op de hoogte was van beide stortingen, dat de verdachte de stortingen niet kan verklaren en dat de verdachte de laatste anderhalf jaar geen inkomen heeft gehad en ii. uit de door het hof geformuleerde bewijsoverwegingen blijkt dat het bedrijf van de verdachte stil lag en zou worden opgestart met behulp van twee onbekend gebleven personen.
3.Het tweede middel
NJ2020/409 m.nt. Ten Voorde, terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.