Belanghebbende, gevestigd in Frankrijk, stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 28 maart 2017. Dit arrest betrof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland over aan hem uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en een conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de ingediende middelen concludeerde de Hoge Raad dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad vond geen noodzaak tot nadere motivering omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Verder achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor veroordeling in proceskosten. Uiteindelijk verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2018.