Uitspraak
[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] (Frankrijk), eiseres
de inspecteur van de Douane Arnhem
Inleiding
Overwegingen
Feiten
Eiseres betoogt verder dat de verzoeken om terugbetaling ten onrechte zijn afgewezen. Zij stelt dat er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de douaneschuld moet worden kwijtgescholden. Zij beroept zich ten eerste op het rechtszekerheidsbeginsel, op grond waarvan wetgeving en criteria met betrekking tot indeling voldoende duidelijk moeten zijn. Dit was bij de onderhavige indeling niet het geval en de gevolgen van deze onduidelijkheid zijn voor eiseres onevenredig. Ten tweede voert eiseres aan dat pas nadat de Hoge Raad in 2018 uitspraak had gedaan, na een door haar geïnitieerde daartoe strekkende openbaarmakingsprocedure (ingevolge Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie), informatie (verslagen en andere vastleggingen) bekend is geworden over de indeling van de aangegeven “Cerolac crystallized”. Daaruit blijkt dat in verschillende lidstaten melk- en weiproducten verschillend werden ingedeeld. Omdat verweerder deelneemt aan de vergaderingen waarvan deze stukken afkomstig zijn, was verweerder bekend met deze informatie. Als de informatie bekend was geweest, hadden de procedures van eiseres inzake de rechtmatigheid van de utb’s anders kunnen aflopen. Ten laatste betoogt eiseres dat het niet zo is dat de situatie waarin eiseres verkeerde, voor iedere marktdeelnemer in de EU gold die dezelfde activiteit verrichtte. Tussen de verschillende lidstaten bestond juist verschil van inzicht over de juiste indeling van de goederen. Bovendien verwijt verweerder eiseres ten onrechte dat zij nalatig is geweest. Dat zij op de indeling een andere visie nahield dan verweerder, wil niet zeggen dat zij nalatig heeft gehandeld.
Eiseres concludeert tot ontvankelijkheid en gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en honorering van haar verzoeken om terugbetaling, met veroordeling van verweerder tot betaling van het griffierecht en tot vergoeding van de proceskosten van eiseres in bezwaar en beroep. Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van de door haar wegens de lange behandelduur van de procedure geleden immateriële schade.
Ter zitting heeft verweerder betoogd dat de beroepen in de zaken HAA 22/2066, HAA 22/2067 en HAA 23/1455 ontvankelijk zijn omdat verweerder een te laag bedrag aan proceskosten in bezwaar heeft toegekend en dat deze beroepen in zoverre gegrond zijn. Verweerder concludeert in zaak HAA 24/1970 tot ongegrondverklaring van het beroep en dat het griffierecht en de proceskosten voor rekening van eiseres zijn. Mocht er voor de rechtbank reden zijn toch te concluderen tot gegrondverklaring van het beroep, dan gaat verweerder uit van een forfaitaire vergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
- de indeling van het product in de wetgeving was onduidelijk; daardoor is het rechtszekerheidsbeginsel geschonden en zijn de gevolgen van die onduidelijkheid in de wetgeving voor eiseres onevenredig;
- de procedures van eiseres inzake de onrechtmatigheid van de utb’s hadden anders kunnen aflopen als was betrokken dat tussen verschillende lidstaten verschil van inzicht bestond over de indeling van melk- en weiproducten;
- het is niet zo dat de situatie waarin eiseres verkeerde voor iedere marktdeelnemer gold die dezelfde activiteit verrichtte.
Processuele aspecten27.In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over drie beroepen inzake drie uitspraken op bezwaar. De achtergrond van deze uitspraken op bezwaar wordt telkens gevormd door dezelfde verzoeken om terugbetaling. Drie keer heeft verweerder een nieuw primair besluit genomen. Telkens weer was dit een afwijzing. Eiseres heeft tegen deze afwijzingen steeds bezwaar gemaakt en tegen de handhaving van de afwijzingen in de drie uitspraken op bezwaar ook steeds beroep ingesteld. Ter zitting is dit door partijen benoemd als een “conglomeraat van besluiten”. De rechtbank begrijpt daaruit dat partijen al deze besluiten als één, uit diverse onderdelen samengesteld, geheel van besluitvorming zien. Dit neemt echter niet weg dat drie maal beroep is ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar en de rechtbank dus drie uitspraken op bezwaar moet beoordelen.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 3 februari 2022;
- verklaart het bezwaar tegen de afwijzingsbesluiten van 22 april 2021 ongegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 16 december 2022, doch uitsluitend voor zover daarin een proceskostenvergoeding wordt toegekend;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 11 maart 2024;
- verklaart het bezwaar tegen het afwijzingsbesluit van 21 september 2023 gegrond;
- vernietigt het afwijzingsbesluit van 21 september 2023;
- veroordeelt verweerder in de kosten van de bezwaar- en beroepsprocedures van eiseres tot een bedrag van € 3.997;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 1.101 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 2.000, en
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde (gedeeltes van de) uitspraken op bezwaar.