Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
18 september 2018.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het hof terecht kon volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, omdat verdachte een duidelijke en ondubbelzinnige bekentenis had afgelegd door te verklaren dat hij weigerde mee te werken aan een bloedonderzoek. De verdachte was beschuldigd van rijden onder invloed van een verboden stof en had geweigerd bloed af te staan.
Het hof had vastgesteld dat verdachte het bewezenverklaarde had bekend, mede omdat de verdediging in hoger beroep geen verweer voerde tegen de bewezenverklaring en alleen de strafmaat betwistte. De Hoge Raad bevestigt dat het hof dit oordeel niet onbegrijpelijk heeft genomen en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat een opgave van bewijsmiddelen volstaat indien sprake is van een duidelijke bekentenis.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en benadrukt dat het feit dat verdachte ook verklaarde geen drugs meer te gebruiken, niet afdoet aan de bekentenis van weigering van bloedonderzoek. Hiermee wordt bevestigd dat de procedurele waarborgen van art. 359 lid 3 Sv Pro correct zijn toegepast en het bewijsrechtelijk oordeel van het hof standhoudt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling wegens weigering van bloedonderzoek.