Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
25 september 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 november 2016. Verdachte werd verdacht van feitelijk leidinggeven aan opzettelijk onjuiste belastingaangifte en valsheid in geschrift.
Het cassatiemiddel betrof een bewijsklacht over het voorwaardelijk opzet op artikel 69 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de vraag of uit de omstandigheid dat de accountant de jaarrekeningen en aangiften heeft opgesteld, kon volgen dat verdachte redelijkerwijs mocht menen dat de aangifte juist en volledig was.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering geen nadere motivering nodig is, omdat het middel niet leidt tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarmee werd het beroep verworpen en bleef het arrest van het hof in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.