Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
28 september 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoeker die in een procedure tot schuldsanering verkeerde. De rechtbank Den Haag had op 15 september 2017 een vonnis gewezen, en het gerechtshof Den Haag bevestigde bij arrest van 5 april 2018 de beëindiging van de schuldsanering wegens het niet voldoen aan de sollicitatieplicht.
Verzoeker stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen, waarop de advocaat van verzoeker reageerde. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uiteindelijk wees de Hoge Raad het cassatieberoep af en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof. De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Snijders, Tanja-van den Broek, Kroeze en in het openbaar door Polak. De zaak illustreert de strikte toepassing van de sollicitatieplicht binnen schuldsanering, ook bij arbeidsongeschiktheid.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bekrachtigd.