ECLI:NL:HR:2018:179

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2018
Publicatiedatum
9 februari 2018
Zaaknummer
16/05988
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid samenwerkingsovereenkomst tussen grondeigenaar en gemeente

De zaak betreft een geschil tussen een grondeigenaar en de gemeente Assen over een samenwerkingsovereenkomst en exploitatieovereenkomst. De grondeigenaar had op zich genomen verplichtingen zoals de aanleg van bestrating, waarna overdracht van de gronden aan een BV volgde die failliet ging. De eisers stelden dat de overeenkomst niet geldig was en dat er spoedeisend belang bestond.

De procedure doorliep verschillende instanties, waaronder de voorzieningenrechter te Assen en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, die de geldigheid van de overeenkomst bevestigden. De Hoge Raad werd gevraagd om cassatie tegen het arrest van het hof van 11 oktober 2016.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat er geen noodzaak is tot nadere motivering omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen. Het beroep wordt verworpen en de eisers worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

9 februari 2018
Eerste Kamer
16/05988
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. J. Streefkerk,
t e g e n
de GEMEENTE ASSEN,
zetelende te Assen,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Gemeente.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/19/113346 / KG ZA 16-11 van de voorzieningenrechter te Assen van 14 juni 2016;
b. de arresten in de zaak 200.193.528/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 augustus 2016 en 11 oktober 2016.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 11 oktober 2016 hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht doorhun advocaten, voor de Gemeente mede door mr. M.E.M.G. Peletier.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 856,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-presidenE.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
9 februari 2018.t