Belanghebbende, onderdeel van een groep met een tophoudster, had een tussenhoudster die aandelen hield in een AG in Zwitserland. Na een reorganisatie werd belanghebbende moeder van de tussenhoudster en vormde een fiscale eenheid met deze tussenhoudster. De tussenhoudster werd op verzoek ontvoegd uit de fiscale eenheid en vervolgens geliquideerd.
Belanghebbende nam een liquidatieverlies in aanmerking van ruim €94 miljoen, gebaseerd op het verschil tussen het opgeofferde bedrag en de liquidatie-uitkering. De Inspecteur stelde dit verlies niet vast, waarna belanghebbende in hoger beroep en cassatie ging.
Het hof oordeelde dat de liquidatieverliesregeling, specifiek artikel 13d lid 4 Wet Vpb, doel en strekking boven de grammaticale tekst moest laten prevaleren, waardoor het liquidatieverlies niet in aanmerking kon worden genomen. De Hoge Raad verwierp deze uitleg en stelde dat de tekst van de wet leidend is, waarbij het liquidatieverlies wel aftrekbaar is omdat de waardedaling van de deelneming in de AG vóór het verkrijgen van de tussenhoudster heeft plaatsgevonden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en stelde het verlies van belanghebbende vast op €95.937.033. Tevens werden proceskosten toegewezen aan belanghebbende. Hiermee is bevestigd dat liquidatieverlies bij ontvoeging uit een fiscale eenheid op basis van de letterlijke wetsbepalingen kan worden vastgesteld, zonder dat doel en strekking de tekst mogen overrulen.