Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
BNB2014/119 de meest recente autoriteit, maar dat arrest laat (nog steeds) in het midden of ook de waardering van vrijgestelde vermogensbestanddelen beheerst wordt door goed koopmansgebruik. U oordeelde (ter zake van een vrijgestelde oneigenlijke deelneming) in het algemeen: “Goed koopmansgebruik dwingt niet tot de aanpassing van de boekwaarde van een activum, als het resultaat van die aanpassing niet in aanmerking dient te worden genomen bij het bepalen van de belastbare winst van het jaar waarin de aanpassing zou moeten plaatsvinden.” Ik meen dat de belanghebbende haar belang in [D BV] mocht (blijven) waarderen basis van de historische kostprijs van [D BV] ’s belang in [J] AG. Ik zie niet hoe afwaardering van [J] AG ten tijde van dier structurele waardedaling invloed zou hebben kunnen uitoefenen op de fiscale winstbepaling van de belanghebbende in dat jaar. Het door de belanghebbende voor [D BV] opgeofferde bedrag ex art. 13d(8) Wet Vpb bedraagt dan € 119.122.194, nu (i) art. 13d(8) Wet Vpb het opgeofferde bedrag voor een ontvoegde dochter stelt op het fiscale eigen vermogen van die dochter, dat in casu bepaald wordt door de historische kostprijs van [J] AG, en (ii) de belanghebbende en [D BV] bestendig op die kostprijs hebben gewaardeerd, zodat geen sprake is van fiscaal chicaneuze waardering en overigens niet vast staat dat op die kostprijs is gewaardeerd met het oog op eventuele toekomstige frustratie van art. 13d(4) Wet Vpb.
BNB1979/181 en HR
BNB2014/119, maar ik ga vooralsnog uit van het gkg
lightdat u in HR
BNB2014/119 toepaste op een vrijgestelde deelneming.
BNB2014/119 niet op de hoogte kon zijn van de toelaatbaarheid van kostprijswaardering van een inmiddels waardeloze deelneming, laat staan van de mogelijke gevolgen van dat gegeven in combinatie met (i) het waarderingsvoorschrift van art. 13d(8) Wet Vpb en (ii) het in- en uitvoegen van de tussenhoudster. Zelfs als dat anders zou zijn, wijst uw jurisprudentie uit dat het enkele gegeven dat de wetgever gewezen is op een mogelijk lek en hij desondanks niet heeft ingegrepen, doel en strekking van de wet niet verandert en dus niet verhindert dat de wet naar doel en strekking wordt toegepast. Systematische interpretatie van art. 13d(4) Wet Vpb leidt bovendien naar hetzelfde resultaat als interpretatie naar de heldere strekking van die bepaling.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
'down the chain’ is het volle belang in [D BV] op 24 juni 2004 verkregen door de belanghebbende tegen € 9.741.000 agio. De waarde van [J] AG was op dat moment volgens de Rechtbank nihil. [1] Vanaf 24 juni 2004 vormde de belanghebbende als moedermaatschappij een fiscale eenheid met [D BV] en enkele van dier Nederlandse dochters.
internet bubblerond 2000.
i.e.het verschil tussen het door haar gestelde opgeofferde bedrag ad € 119.122.194 en de liquidatie-uitkering ad € 24.913.847. De inspecteur heeft het aangegeven liquidatieverlies niet aanvaard en een aanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag ad - /- € 1.728.686. Hij heeft bij beschikking het verlies op dat bedrag vastgesteld en een verzuimboete ad € 567 opgelegd. De belanghebbende heeft vergeefs bezwaar gemaakt en daarna beroep ingesteld. Zij acht het aangegeven liquidatieverlies ad € 94.208.347 correct.
BNB2014/119, om haar deelneming in [J] AG af te waarderen naar de werkelijke waarde (waardoor het opgeofferde bedrag de liquidatie-uitkeringen (€ 24.913.847) niet zou overtreffen, zodat geen liquidatieverlies zou resulteren). Maar art. 13d(4) Wet Vpb bepaalt dat als de deelneming in [J] AG ‘in waarde is gedaald sedert de verkrijging’ van [D BV] door de belanghebbende, het liquidatieverlies slechts in aftrek komt voor zover het de waardedaling van [J] AG overtreft. De wettekst noch de parlementaire geschiedenis legt de term ‘in waarde is gedaald’ uit. Weliswaar is [J] AG tussen de ontvoeging van [D BV] (moment van verkrijging van een deelneming in [D BV] door de belanghebbende, aldus de Rechtbank) en de liquidatie van [D BV] niet in waarde gedaald, maar doel en strekking van art. 13d(4) Wet Vpb zouden volgens de Rechtbank worden miskend als voor de toepassing van art 13d(4) niet, net als bij de bepaling van het opgeofferde bedrag, wordt uitgegaan van de fiscale boekwaarde van [J] AG. De waarde van [J] AG zoals die in de liquidatie-uitkering tot uitdrukking komt (de werkelijke waarde), moet daarom volgens de Rechtbank worden vergeleken met [J] AG’s (hogere) fiscale boekwaarde ten tijde van [D BV] ’s ontvoeging en niet met haar (lagere) werkelijke waarde. Die vergelijking laat een omvangrijke waardedaling van [J] AG zien, zodat het liquidatieverlies op grond van art. 13d(2) en 13d(8) Wet Vpb niet aftrekbaar is. De Rechtbank heeft het beroep van de belanghebbende daarom ongegrond verklaard.
FutD2015-0172 tekende aan:
BNB2014/119, goed koopmansgebruik niet dwingt om een vrijgestelde deelneming af te waarderen ondanks structurele waardedaling beneden kostprijs. Hij leidde uit de jurisprudentie [10] over (de waardering van) deelnemingen af:
i.e.op € 119.122.194.
BNB2011/185, [11] minstens een moment een deelnemingsrelatie is geweest. Niet in geschil is dat [J] AG al in waarde was gedaald vóórdat de belanghebbende [D BV] verkreeg, zodat de deelneming begrepen in de liquidatie-uitkering ( [J] AG) in de relevante periode niet in waarde is gedaald (maar juist is gestegen). De tekst van art. 13(4) Wet Vpb geeft de belanghebbende dus gelijk, wat tot een aftrekbaar liquidatieverlies ad € 94.208.344 zou leiden. In verband met de rechtszekerheid is volgens het Hof een daarvan afwijkende uitleg van art.13(4) Wet Vpb naar doel en strekking slechts mogelijk als de woorden van de wet:
Kamerstukken II1986/87, 19968, 3, p. 6; PJW].
V-N2017/7.13 onderschrijft ‘s Hofs uitspraak wat betreft waardering van [J] AG op kostprijs en wat betreft de periode waarover de waardedaling ex art. 13d(4) Wet Vpb moet worden bezien (vanaf 24 juni 2004, toen [D BV] heel even een deelneming van de belanghebbende was alvorens gevoegd te worden). Zij maakt wel kanttekeningen bij het laten prevaleren van doel en strekking van art. 13d(4) Wet Vpb boven diens tekst:
die correctieop de voet van art. 13d lid 4 Wet VPB 1969 juist eng zou moeten worden geïnterpreteerd. Ten tweede neemt het hof ten nadele voor de belanghebbende mee dat de door haar gekozen (om)weg indruist tegen de wil van de wetgever. De vraag is of de kunstmatigheid van de gekozen weg door een specifieke belastingplichtige een rol zou moeten spelen bij de keuze voor doel en strekking van de wetgever dan wel de grammaticale uitleg. Dat is toch eerder een punt dat een rol speelt bij het al dan niet honoreren van een eventueel beroep op fraus legis. Ten derde wijst het hof in r.o. 4.7.6 nog op de bekendheid van deze gebrekkige wettekst in de literatuur (bij de anonimisering van de uitspraak is de auteur van de FED-brochure overigens tevens geanonimiseerd; deze overijverige anonimisering zien we ook terug in r.o. 4.4.2). [13] In de ‘fraus legis’-jurisprudentie is de bewustheid bij de wetgever soms een ‘safe haven’ (na het fameuze partnerschaps-arrest in de overdrachtsbelasting HR 15 maart 2013, nr. 11/05609, BNB 2013/151 moet (…) hier echter niet al te veel op worden gerekend door belastingplichtigen, zo merken wij hierbij op).
FutD2016-2725 tekende het volgende aan:
NTFR2016/2987) acht ‘s Hofs grammaticale analyse correct en meent dat de zaak daarom ook anders had kunnen aflopen. De Jonge vraagt zich af of het risico dat de wettekst niet strookt met de kennelijke bedoeling van de wetgever niet voor rekening van de wetgever moet blijven.
3.Het geding in cassatie
BNB2007/149: [14]
goodwill-gat: de
goodwillin een gevoegde deelneming komt niet tot uitdrukking in het eigen vermogen van die deelneming bij de herziening van het opgeofferde bedrag ex art. 13d(8) Wet Vpb bij beëindiging van de fiscale eenheid (gevolg: te laag liquidatieverlies) en (b) het verloren gaan van het oorspronkelijke opgeofferde bedrag ex art. 13d(6) Wet Vpb door intra-concern overdracht van een deelneming die mogelijk in de toekomst geliquideerd wordt. Zulke vaak optredende onverwachte, contra-intuïtieve en voor de belastingplichtige nadelige effecten worden aanvaard als consequentie van de complexe wetgevingstechniek. Als die techniek dan een keer in het voordeel van de belastingplichtige werkt, is het niet aan de rechter om met een beroep op doel en strekking van die complexe wettekst af te wijken, reeds omdat een van de tekst afwijkend doel niet blijkt.
BNB1996/138). Dat de wetgever wilde aansluiten bij de periode na verkrijging van [D BV] blijkt ook daaruit dat de wetgever de wettekst niet heeft aangepast hoewel de literatuur er al geruime tijd geleden op wees dat een deelnemingsverlies voorafgaande aan de verkrijging van de deelneming in een ontbonden lichaam kan leiden tot een hoger liquidatieverlies. Ook het Hof heeft daarop gewezen (r.o. 4.7.6). De wetgever heeft dat gevolg van de door hem gekozen tekst dus willen aanvaarden. In elk geval moet dat gevolg voor zijn rekening blijven en niet, in strijd met de rechtszekerheid, aan de belanghebbende worden tegengeworpen. ‘s Hofs verruiming van art. 13d(4) Wet Vpb buiten zijn tekst kan voorts onvoorziene en contrarationele gevolgen hebben. De belanghebbende geeft een rekenvoorbeeld van ongewenste gevolgen, waarin ’s Hofs benadering ertoe leidt dat door de tussenhoudster zelf geleden operationele verliezen niet kunnen worden genomen bij haar liquidatie, zulks in strijd met de ratio van de regeling. Tijdens de parlementaire behandeling is geen aandacht besteed aan dergelijke haaks op de ratio van de liquidatieverliesregeling staande gevolgen. Evenmin is een anticumulatiebepaling ter sprake gekomen. De wetgever heeft toepassing van art. 13d(4) Wet Vpb buiten diens tekst dus niet beoogd, althans daarvan blijkt niets. Het kan niet zo zijn dat louter op basis van de mathematische uitkomst van geval tot geval wordt bepaald of de wettekst of ‘s Hofs uitbreiding van art. 13d(4) Wet Vpb wordt gevolgd, want dat schendt niet alleen de rechtszekerheid doordat het tot willekeur leidt, maar plaatst ook de rechter op de stoel van de wetgever.
BNB1991/165 [17] (zie 5.4 hieronder) moest [J] AG zijns inziens op lagere bedrijfswaarde worden gewaardeerd. Als de bedrijfswaarde aanzienlijk lager is dan de kostprijs, dwingen het realiteitsbeginsel en de voorzichtigheid tot waardering op die lagere bedrijfswaarde op het moment waarop [D BV] ’s zelfstandige belastingplicht weer aanvangt (bij haar ontvoeging). De Staatssecretaris meent dat HR
BNB2014/119 [18] (zie 5.4 hieronder: goed koopmansgebruik verplicht niet tot aanpassing van de boekwaarde van een activum als die aanpassing geen invloed heeft op de belastbare winst van het aanpassingsjaar; de zaak betrof een vrijgestelde deelneming) niet op belanghebbendes geval ziet. Na ontvoeging van [D BV] was het belang in [J] AG een deelneming ex art. 13 Wet Pro Vpb. Wordt de boekwaarde van die deelneming op basis van goed koopmansgebruik aangepast, dan leidt dat tot verlaging van het eigen vermogen van [D BV] en daarmee van het opgeofferde bedrag ex art. 13d(2) en 13d(8) Wet Vpb. Die verlaging heeft gevolgen voor de liquidatieverliesaftrek bij de belanghebbende en wordt in zoverre dus in aanmerking genomen bij het bepalen van de belastbare winst van het jaar waarin de aanpassing plaatsvindt. In casu dwingt goed koopmansgebruik daarom wél tot aanpassing van de waardering van het activum, aldus de Staatssecretaris. Dit betekent dat voor de toepassing van art. 13d(8) Wet Vpb op het ontvoegingstijdstip niet moet worden uitgegaan van de kostprijs maar van de lagere bedrijfswaarde, zodat het opgeofferde bedrag kleiner is dan de liquidatie-uitkering en zich geen liquidatieverlies voordoet.
BNB2011/185 (zie 2.14 hiervoor) dat vóór de voeging van [D BV] zeer kortstondig een deelnemingsrelatie tussen de belanghebbende en [D BV] heeft bestaan en dat daarom de referentieperiode voor de beoordeling van [J] AG’s waardeverloop aanving op 24 juni 2004 (verwerving [D BV] door de belanghebbende). Tijdens de fiscale eenheid is een waardedaling van [J] AG echter niet relevant voor de liquidatieverliesregeling, die immers niet geldt binnen een fiscale eenheid. De belanghebbende heeft voor haar belang in [D BV] twee bezitstijdstippen gekend. Na het eerste bezitsmoment op 24 juni 2004 was door [D BV] ’s voeging in de eenheid geen sprake meer van (voorzetting van) een deelneming in [D BV] . (Pas) bij ontvoeging van [D BV] ontstond een
nieuwedeelneming, die opnieuw (zelfstandig) gewaardeerd moest worden. De Staatssecretaris wijst op de nota van wijziging bij de herziening van de fiscale eenheid:
BNB2002/30, [19] inhoudende dat als tussen een eerste en een tweede bezitsperiode geen liquidatieverlies kan ontstaan wegens een eigendomsoverdracht, voor de vaststelling van een liquidatieverlies bij aanvang van de tweede bezitsperiode moet worden uitgegaan van een nieuwe deelneming. Volgens de Staatssecretaris geldt hetzelfde als tussen een eerste en een tweede bezitsperiode geen liquidatieverlies kan ontstaan wegens voeging in een fiscale eenheid. Vanaf 20 maart 2009 was er dus een nieuwe deelneming, zodat het waardeverloop niet vanaf 24 juni 2004, maar vanaf 20 maart 2009 moet worden beoordeeld. Die datum sluit ook aan bij het moment waarop in verband met de ontvoeging het voor de (nieuwe) deelneming opgeofferde bedrag moet worden bepaald ex art. 13d(8) Wet Vpb.
a contrariouit art. 16 Besluit Pro fiscale eenheid 2003.
BNB1978/299, [20] HR
BNB2006/63 [21] en HR
BNB2016/30 [22] .
4.Wet- en regelgeving
Artikel 16. Berekening liquidatieverlies met betrekking tot een tussenholding na ontvoeging
5.Waardering van de deelneming ( [D BV] en) [J] AG; naar goed koopmansgebruik?
BNB2014/119 [27] betrof een belanghebbende die in 2004 4,7% in een NASDAQ-genoteerde
Incorporatedhad verworven voor ruim € 35 miljoen. Dat belang was tot 1 januari 2007 een ‘oneigenlijke deelneming’ die onder de deelnemingsvrijstelling viel. Op 1 januari 2007 werd art. 13 Wet Pro Vpb gewijzigd door de Wet ‘werken aan winst’, waardoor – behoudens overgangsrecht tot 2010 – dit belang geen vrijgestelde oneigenlijke deelneming meer zou zijn. Eind 2006 was de waarde van het belang gestegen naar ruim € 39 miljoen, maar eind 2009 weer gedaald naar ruim € 14 miljoen. In 2010 had de belanghebbende het belang verkocht voor ruim € 22 miljoen. In geschil was de bepaling van het verkoopresultaat en of dat onder de deelnemingsvrijstelling viel. Het overgangsrecht bepaalde dat de oneigenlijke deelneming onder de deelnemingsvrijstelling bleef vallen tot en met 2009. U oordeelde dat het vermogensresultaat niet werd gecompartimenteerd omdat de tekst 2010 van art. 13 Wet Pro Vpb van toepassing was, wat in beginsel resulteerde in een verlies (verkoopprijs € 22 miljoen -/- kostprijs € 35 miljoen). U ging vervolgens in op de vraag of het belang eind 2009 had moeten worden afgewaardeerd naar € 14 miljoen (hetgeen zou resulteren niet in een verlies, maar in een winst ad ruim € 8 miljoen in 2010 (€ 22 miljoen -/- € 14 miljoen)). U overwoog:
BNB1991/165. De Staatssecretaris meent op basis van dat laatste arrest dat zich een zodanige vermindering van de bedrijfswaarde heeft voorgedaan dat een winstbepaling die daarmee geen rekening houdt, geen goed koopmansgebruik is, zodat de belanghebbende [D BV] moest afwaarderen naar lagere bedrijfswaarde. Dat arrest betrof echter een onroerende zaak; geen vrijgesteld vermogensbestanddeel. HR
BNB2014/119 is aanzienlijk recenter en gaat specifiek over vrijgestelde deelnemingen. Bovendien was in HR
BNB1991/165 niet in geschil dat goed goedkoopmansgebruik van toepassing was, hetgeen bij vrijgestelde vermogensbestanddelen misschien helemaal niet en hoogstens beperkt het geval is.
BNB2014/119 signaleerde dat de rechtspraak (HR
BNB1997/101 [30] en HR
BNB1979/181 [31] ) en de literatuur tot dan toe inconcludent respectievelijk verdeeld waren over de vraag of goed koopmansgebruik ook de waardering van vrijgestelde deelnemingen bepaalt. Ook HR
BNB2014/119 lijkt die vraag niet te hebben beantwoord. De literatuur wijst erop dat ook na dat arrest nog steeds niet duidelijk is of goed koopmansgebruik ook geldt voor vrijgestelde deelnemingen. De Vries annoteerde in
BNB2014/119:
V-N2014/16.19 meende dat u niet heeft gezegd dat goed koopmansgebruik geen rol speelt bij de waardering van vrijgestelde deelnemingen:
FED2014/58) en Bobeldijk (
NTFRB2014/19) zien in HR
BNB2014/119 een ‘lichte’ versie van goed koopmansgebruik. Cornelisse meent dat goed koopmansgebruik wel van belang kan zijn bij wijziging van het waarderingsstelsel voor een vrijgestelde deelneming:
NTFRB2014/19) schrijft over de mogelijke invloed van HR
BNB2014/119 op de totale winst, met name op het voor een deelneming opgeofferde bedrag: [33]
BNB2014/119; PJW] gekozen bewoording daarvoor echter geen ruimte. De Hoge Raad acht immers maatgevend of het ‘resultaat van die aanpassing fiscaal (…) in aanmerking genomen moet worden bij het bepalen van de belastbare winst.’ De afwaardering van het activum is ‘het resultaat van die aanpassing’. (…). Met betrekking tot de waardering van deelnemingen – en dat geldt ook voor andere vrijgestelde activa en passiva – kan thans worden geconcludeerd dat de belastingplichtige een grote mate van vrijheid heeft. Goed koopmansgebruik dwingt niet tot een afwaardering en verzet zich niet tegen een hogere waardering dan de kostprijs. Uit de gekozen bewoordingen in BNB 1979/181 en het onderhavige arrest maak ik op dat goed koopmansgebruik wel van toepassing is, maar dan dus in een lichtere vorm. Zo ‘dwingt’ deze lichtere variant van goed koopmansgebruik er mijns inziens wel toe dat de waardering zijn grond moet blijven vinden in een bedrijfseconomisch aanvaardbaar stelsel. Ook een jaarlijkse stelselwijziging lijkt mij niet aanvaardbaar.
BNB2014/119; PJW] geoordeeld dat goed koopmansgebruik niet dwingt tot de aanpassing van de boekwaarde van een activum, als het resultaat van die aanpassing niet in aanmerking dient te worden genomen bij het bepalen van de belastbare winst van het jaar waarin de aanpassing zou moeten plaatsvinden. Naar onze mening is hiermee echter niet gezegd dat de belastingplichtige naar eigen inzicht, naar willekeur, mag waarderen daar waar ten aanzien van het activum een vrijstelling geldt.”
Cursus Belastingrechtde uitspraak van de Rechtbank in de thans te berechten zaak (ik laat voetnoten weg): [35]
BNB2014/119 dus geen antwoord op de vraag of waardering van vrijgestelde vermogensbestanddelen beheerst wordt door goed koopmansgebruik. U heeft dat in het midden gelaten en die vraag kan mijns inziens ook thans in het midden blijven, wat niet wegneemt dat u de gelegenheid zou kunnen aangrijpen om duidelijkheid te geven. De geciteerde literatuur maakt uit HR
BNB2014/119 op dat een belastingplichtige niet verplicht is om een structureel in waarde gedaalde vrijgestelde deelneming af te waarderen naar lagere werkelijke waarde, maar dat dit niet betekent dat een vrijgestelde deelneming naar willekeur kan worden gewaardeerd, met name niet als daarmee oneigenlijke incidentele fiscale voordelen worden beoogd; dat er dus voor vrijgestelde vermogensbestanddelen wel een ‘licht’ goed-koopmansregime geldt, met name bij waarderingsstelselwijziging. R.J. de Vries verwacht dat u te eniger tijd het goede koopmansgebruik integraal op de waardering van vrijgestelde vermogensbestanddelen zult toepassen en Bobeldijk meent dat u dat meteen had moeten doen in verband met de indirecte invloed van de waardering van vrijgestelde deelnemingen op de totale winst.
BNB1979/181 en HR
BNB2014/119, maar ik ga vooralsnog uit van het gkg
lightdat u in HR
BNB2014/119 toepaste op een vrijgestelde deelneming.
BNB2014/119 volgt dat goed koopmansgebruik niet tot stelselwijziging noopte.
a contrariovoorbehoud in HR
BNB2014/119 (afwaardering moet wel “als het resultaat van die aanpassing in aanmerking dient te worden genomen bij het bepalen van de belastbare winst van het jaar waarin de aanpassing zou moeten plaatsvinden”) in casu tot een andere uitkomst noopt. Niet valt in te zien hoe afwaardering van [J] AG in aanmerking zou komen bij belanghebbendes fiscale winstbepaling van het jaar waarin duidelijk werd dat de waardedaling van [J] AG structureel was en goed koopmansgebruik dus tot afwaardering zou nopen. In dat jaar was [D BV] nog niet eens dochter van de belanghebbende (de waardedaling heeft plaatsgevonden voor verwerving van [D BV] ), en afwaardering van een vrijgesteld vermogensbestanddeel heeft hoe dan ook geen invloed op de jaarwinst juist omdat die afwaardering vrijgesteld is. Overigens is de bepaling van het opgeofferde bedrag een extra-comptabel gebeuren.
Grammaticale of teleologische toepassing van art. 13d(4) en (8) Wet Vpb; wetsgeschiedenis
i.e.op kostprijs of lagere bedrijfswaarde. Hij kon – zolang HR
BNB2014/119 niet was gewezen – niet voorzien dat het mogelijk zou blijken een bij verwerving vrijwel waardeloze tussenhoudster op de historische kostprijs ad € 104,7 miljoen te (blijven) stellen, laat staan dat hij de kunstgreep kon voorzien, bestaande uit de combinatie van die overwaardering met in- en uitvoegen van de tussenhoudster, om gebruik te kunnen maken van de waarderingsregel van art. 13d(8) Wet Vpb om het opgeofferde bedrag oneigenlijk op te pompen en na ontvoeging te liquideren.
Jurisprudentie over gevallen waarin de wettekst de bedoeling van de wetgever niet (goed) weergeeft
ex-warrant-arrest HR
BNB1996/138 [54] betrof de vraag of de fictie van art. 25a Wet IB 1964 (die onder meer de waarde-aangroei van blote eigendom van vorderingen en van ex-coupon-obligaties belastte) ook toegepast kon worden op de waarde-aangroei van ex-warrant-obligaties. Naar haar tekst was deze bepaling niet van toepassing op ex-warrant-obligaties, maar tijdens de parlementaire behandeling hadden zowel de Staatssecretaris als parlementariërs gezegd, toen daar op gewezen werd, dat het wél de bedoeling was dat zij er onder zouden vallen. De regering paste de wettekst echter niet aan ondanks daartoe expliciet gedane suggesties uit het parlement, omdat dat tot ongewenste complicaties zou leiden. U overwoog:
ex-warrantzaak die discrepantie tijdens het wetgevingsproces expliciet onderkend werd, dat vanuit het parlement concrete tekstwijziging werd voorgesteld, maar dat welbewust werd afgezien van aanpassing van de tekst aan de bedoeling omdat dat weer tot andere discrepanties tussen tekst en bedoeling zou leiden, een en ander in de hoop dat de rechter dit voor de wetgever onoplosbare wetstechnische probleem wel zou oplossen. Daar paste de rechter echter voor omdat er inderdaad andere ongerijmdheden op de loer lagen, die toch echt door de wetgever onder ogen moesten worden gezien. Van een dergelijke situatie is in belanghebbendes geval geen sprake. De wetgever was zich bij de invoering van de tussenhoudsterregeling geenszins bewust van een discrepantie tussen zijn tekst en zijn bedoeling en, zoals boven (6.17) bleek, al helemaal niet van de mogelijkheid van waardering van een inmiddels waardeloze deelneming op veel hogere kostprijs, gecombineerd met in- en uitvoeging en liquidatie van de tussenhoudster met het oog op art. 13d(8) Wet Vpb waarvan de belanghebbende contrarationeel wenst te profiteren. In de boven geciteerde wetsgeschiedenis kan geen bewustheid van de mogelijkheid van deze combinatie van door de wetgever duidelijk niet gewenste effecten ontwaard worden; integendeel.
BNB1986/127 [55] betrof een samenstel van rechtshandelingen om dividendbelasting te ontgaan. U overwoog:
BNB2009/237. [56] Die zaak betrof een dubbeldekkerconstructie tot vermijding van overdrachtsbelasting op de verwerving van aandelen in een onroerende-zaaklichaam ex art. 4 Wet Pro BvR: BV1 richtte een BV2 op en stortte dier aandelen vol door overdrachtsbelastingvrije inbreng van al haar onroerend goed. Daarna werden de aandelen in BV1 overdrachtsbelastingvrij overgedragen aan de verkrijger. De inspecteur en de feitenrechters zagen daarin
fraus legis. De verkrijger betoogde (i) dat deze ontgaans-mogelijkheid zó voor de hand lag dat de wetgever daartegen een voorziening had moeten treffen c.q. (ii) dat het stilzitten van de wetgever na het arrest HR
BNB1987/129 impliceerde dat deze ontgaansmogelijkheid doel en strekking van de wet niet (meer) schond. U overwoog:
BNB2013/151 [57] over twee vastgoedeigenaren die voor één dag een geregistreerd partnerschap aangingen om na een zéér kortstondige gemeenschap van hun vastgoed, te genieten van de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij ontbinding van een geregistreerd partnerschap (in een andere eigendomsverhouding dan vóór het partnerschap). Het stond vast dat verijdeling van overdrachtsbelasting het enige motief was voor het partnerschap; het geschil ging alleen nog om doel en strekking van de wet. De wetgever was tijdens de invoering van het geregistreerde partnerschap uitdrukkelijk gewezen op deze ontgaansmogelijkheid maar had de wettekst niet aangepast omdat hij niet verwachtte dat het een vaart zou lopen. U overwoog:
ontvoegingin het zicht van liquidatie maar één doel had: een niet-geleden liquidatieverlies aftrekken. Het motief is echter niet relevant: het Flitspartnerschap-arrest gaat niet over het motiefvereiste (dat daaraan voldaan was, was niet in geschil en kan overigens in cassatie niet beoordeeld worden), maar over het tweede, objectieve, vereiste voor
fraus legis: dat doel en strekking van de wet worden miskend. Het arrest leert dat stilzitten van de wetgever (het niet aanpassen van de wettekst hoewel hij op een mogelijk lek is gewezen) niet meebrengt dat
fraus legisniet kan worden toegepast. Wetgeverlijke inertie verandert dus op zichzelf doel en strekking van de wet niet en nemen eventuele strijd met doel en strekking van de wet dus niet weg, zelfs niet als al tijdens de parlementaire behandeling op het mogelijke lek is gewezen, hetgeen in belanghebbendes geval niet zo is.
BNB2016/30 [59] betrof de winstplitsingsregeling van art. 15ag Wet Vpb bij voorvoegingsverliezen van de moedervennootschap na ontvoeging. Deze bepaling ging uit van een ontvoegingstijdstip, maar op basis van de wettelijke definitie van ‘ontvoegingstijdstip’ (art. 15aa Wet Vpb) kon in dat geval niet zo’n tijdstip worden aangewezen. U overwoog:
V-N2015/57.12, Hofman (
NTFR2015/2913) en de redactie van
FUTD2015-2691 waren kritisch omdat u van een duidelijke wettekst afweek. Egelie daarentegen meende (
BNB2016/30) dat u, gegeven de door u in acht te nemen interpretatiemethoden, een alleszins verantwoord oordeel had geveld. Meussen (
FED2016/11) had moeite met de rechts-onzekerheid die u zijns inziens schept met casuïstische oordelen over wetgevingsfouten. Ik merk op dat de tekst van art. 15ag Wet Vpb sindsdien is aangepast om ‘het wettelijke systeem duidelijk naar voren [te] laten komen’. [60]
8.(Overige) literatuur
BNB2014/119 was nog niet gewezen), maar wel dat liquidatieverliesaftrek op basis van die kostprijs in strijd met de strekking van art. 13d(4) Wet Vpb zou komen. Boven (5.5 t/m 5.10) heb ik ook de commentaren op HR
BNB2014/119 weergegeven.
overkillbevatten of op onverwachte wijze samenlopen, maar ook dat de tussenhoudsterregeling een lek zou kunnen bevatten:
prospective overrulingde rechtsonzekerheid en de spanning met het legaliteitsbeginsel kan voorkomen die anders ontstaan als de rechter op grond van de bedoeling van de wetgever afwijkt van de wettekst. Hij bespreekt het in 7.5 geciteerde arrest HR
BNB2016/30 (ik laat voetnoten weg):
prospective overrulingzijn autonome uitleg van de wet slechts te laten gelden voor situaties die zich voordoen na het wijzen van zijn uitspraak.”
9.Beoordeling van het cassatieberoep
BNB2014/119 mocht (blijven) waarderen op basis van de historische kostprijs van [D BV] ’s belang in [J] AG. Niet in geschil is dat als goed koopmansgebruik waardering op kostprijs toestaat, het voor [D BV] opgeofferde bedrag volgens art. 13d(8) Wet Vpb € 119.122.194 [64] bedraagt. Evenmin is in geschil dat de liquidatie-uitkering € 24.913.847 bedroeg. Dan is in beginsel een liquidatieverlies ad € 94.208.344 aftrekbaar. De vraag is of dit bedrag gecorrigeerd moet worden op grond van art. 13d(4) Wet Vpb.
i.e.vanaf 20 maart 2009, en dat het eigen vermogen van [D BV] op dat moment op haar fiscale boekwaarde moet worden gesteld, zodat tussen dat ontvoegingsmoment en [D BV] ’s liquidatie zich wel degelijk een enorme waardedaling voordeed. Mijns inziens heeft het Hof het bij het rechte eind. Dat het belang in een gevoegde dochter niet kan worden aangemerkt als deelneming ex art. 13 Wet Pro Vpb tijdens het bestaan van de fiscale eenheid, [65] neemt niet weg dat de belanghebbende op 24 juni 2004 eventjes een deelneming in de zin van art. 13(2) Wet Vpb hield in [D BV] , die immers pas fiscaal met de belanghebbende gevoegd kon worden toen de belanghebbende (eerst) een aandelenbelang (een deelneming dus) van 95% in [D BV] verwierf. Dat die deelneming fiscaal vervolgens enige tijd niet zichtbaar was, betekent niet dat zij niet bestond. Nu niet in geschil is dat [J] AG in waarde is gedaald vóór belanghebbendes verkrijging van [D BV] op 24 juni 2004 (dus zeker vóór 20 maart 2009) leidt grammaticale interpretatie van art. 13d(4) Wet Vpb tot de conclusie dat die bepaling in casu niet van toepassing is. Mijns inziens leidt het aanwijzen van de ontvoegingsdatum als beginpunt van de referentieperiode (zoals de Staatssecretaris wil) overigens niet tot een ander resultaat.
BNB2014/119 en belanghebbendes geval had moeten voorzien, maar hij heeft niets van dien aard bepaald en de wetsgeschiedenis geeft geen houvast hoe hij dit niet-voorziene geval technisch zou hebben verwerkt, terwijl onduidelijk is tot welke niet-bedoelde effecten deze benadering op haar beurt weer kan leiden. De regel die de Staatssecretaris wenselijk acht, kan de rechter mijns inziens niet stellen.
BNB2007/149 (zie 3.3) ‘onzinnig of duidelijk contrarationeel’ heb genoemd. Het is meteen duidelijk dat het resultaat dat de belanghebbende voorstaat het doel van de liquidatieverliesregeling juist frustreert.
BNB2014/119 (dus tot na het litigieuze tijdvak) belanghebbendes geval niet had hoeven voorzien en zelfs als dat anders zou zijn, hij volgens uw boven geciteerde rechtspraak niet geacht kan worden iets aanvaard te hebben louter door niet in te grijpen bij een gesignaleerd mogelijk lek, terwijl een dergelijk niet-ingrijpen op zichzelf evenmin iets verandert aan doel en strekking van de wet.
VN-redactie; zie 2.17 hierboven) in een positie als die van de belanghebbende terecht komt. Wat het individuele geval betreft: feitelijk is vastgesteld dat de belanghebbende het liquidatieverlies heeft ‘opgezocht’, dus doelbewust een door de wetgever duidelijk niet gewenste
upsideheeft gezocht (volgens de
VN-redactie met ‘een stappenplan’) waar bij mislukken geen
downsidevan betekenis aan vast zit (zonder het ‘opzoeken’ zou het concern hoe dan ook met een onaftrekbaar deelnemingsverlies zitten). Interpretatie naar doel en strekking gaat voorts per definitie niet verder dan nodig is om de (in casu volstrekt heldere) norm tot gelding te brengen. Voor de
overkilldie de belanghebbende in haar rekenvoorbeeld schetst, hoeft mijns inziens niet gevreesd te worden: de belastingplichtige in dat voorbeeld kan zonder twijfel verlies nemen ter waarde van de eigen verliezen van de tussenhoudster, want dat is de onmiskenbare bedoeling van de wetgever. Interpretatie naar doel en strekking kan uiteraard even goed in het voordeel van de belastingplichtige uitpakken als de tekst in de weg lijkt te staan aan aftrek maar het wél onmiskenbaar om definitieve liquidatieverliezen gaat waarvoor de aftrek bedoeld is.