ECLI:NL:HR:2018:1794

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2018
Publicatiedatum
27 september 2018
Zaaknummer
17/02987
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6:265 lid 1 BW
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding overeenkomst van opdracht tussen cliënt en advocaat wegens tekortkoming

In deze zaak stond de ontbinding van een overeenkomst van opdracht tussen eisers en een advocaat centraal. De eisers vorderden ontbinding wegens een tekortkoming van de advocaat, maar het hof oordeelde dat deze tekortkoming niet rechtvaardigde tot ontbinding van de overeenkomst.

De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen en het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarop het arrest van het hof was gebaseerd. Het cassatieberoep van eisers werd verworpen omdat de aangevoerde klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad bevestigde dat de stelplicht en bewijslast bij de partij liggen die ontbinding vordert en dat de tekortkoming voldoende ernstig moet zijn om ontbinding te rechtvaardigen. De Hoge Raad veroordeelde de eisers in de kosten van het geding in cassatie, die aan de zijde van de verweerster op nihil werden begroot.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

28 september 2018
Eerste Kamer
17/02987
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1] ,
2. [eiseres 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] , Duitsland,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. M.B.A. Alkema,
t e g e n
[verweerster] , handelend onder de naam [A] ,
gevestigd te [plaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerster] .

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/01/263210/HA ZA 13-374 van de rechtbank Oost-Brabant van 21 augustus 2013, 2 april 2014 en 10 september 2014;
b. het arrest in de zaak 200.165.677/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 maart 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft op 17 mei 2018 schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
28 september 2018.