Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2018:1807

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2018
Publicatiedatum
27 september 2018
Zaaknummer
18/01388
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake loonheffing en Zorgverzekeringswet

De erfgenamen van de overledene hebben beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, waarin een geschil speelde over een ingehouden bedrag aan loonheffing en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Het hof had eerder een uitspraak gedaan na hoger beroep tegen een beslissing van de Rechtbank Den Haag.

De Hoge Raad ontving het cassatieberoep en de daarbij ingediende klachten van belanghebbenden. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in. Een conclusie van repliek van belanghebbenden werd buiten beschouwing gelaten omdat deze na de gestelde termijn werd ingediend.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat er geen noodzaak was tot nadere motivering, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens werden er geen proceskosten aan belanghebbenden toegekend.

Uiteindelijk verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond en sprak het arrest uit in het openbaar op 28 september 2018.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

28 september 2018
Nr. 18/01388
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de erfgenamen van [A], gewoond hebbende te
[Q], (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 20 februari 2018, nr. BK‑17/00765, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/263) betreffende een ingehouden bedrag aan loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

1.Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Nu deze conclusie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2018.