Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
2 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden uit 2011, waarin de aanvrager werd veroordeeld voor feitelijk leiding geven aan het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting door een rechtspersoon in de periode 1998-2001.
De aanvraag tot herziening baseert zich op nieuwe documenten en deskundigenrapporten die volgens de aanvrager aantonen dat er wel voldoende omzetbelasting is opgegeven over het project. De Hoge Raad beoordeelt deze stukken en concludeert dat deze geen feiten of omstandigheden bevatten die als novum kunnen worden aangemerkt, omdat zij geen ernstige vermoedens wekken dat het hof bij kennis hiervan tot vrijspraak of ontslag had kunnen komen.
De Hoge Raad overweegt dat de enkele mogelijkheid dat omzet is geboekt onvoldoende is en dat de stukken geen inzicht geven in de vraag of de aangiften omzetbelasting juist en volledig waren met betrekking tot de vastgestelde transacties.
Daarom wordt de aanvraag tot herziening afgewezen en blijft het arrest van het hof in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens het ontbreken van een novum.