Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
2 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 9 maart 2017. De verdachte werd verdacht van deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 lid 1 Sr Pro) en medeplegen van gewoontewitwassen (art. 420ter Sr). Namens verdachte diende advocaat G. Meijers een middel van cassatie in. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad beoordeelde het middel en concludeerde dat het niet tot cassatie kon leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarop besloot de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, samen met raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, tijdens een openbare terechtzitting op 2 oktober 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof.