Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
6 februari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 juni 2016, waarin hij werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan diefstal door braak. De verdediging voerde onder meer aan dat de getuigenverklaringen die als bewijs werden gebruikt onbetrouwbaar waren en dat het hof onvoldoende op deze klachten had gereageerd.
De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat het niet nodig was om de rechtsvragen nader te motiveren, aangezien deze niet van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.