ECLI:NL:HR:2018:1842

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2018
Publicatiedatum
4 oktober 2018
Zaaknummer
17/03224
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 294 WvK
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in brandverzekering zaak met merkelijke schuld

Deze zaak betreft een cassatieprocedure van meerdere verzekeraars tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over een brandverzekering van een bedrijfspand. De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van merkelijke schuld van de verzekerde, dan wel brandstichting door de verzekerde of een derde partij.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten, waaronder het arrest van 21 juni 2013, en bevestigt het oordeel van het hof dat het cassatieberoep niet slaagt. De klachten van de verzekeraars leiden niet tot cassatie omdat zij geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad wijst tevens op de bewijswaardering en het gezag van gewijsde in de onderliggende procedures. De verzekeraars worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, met een specificatie van de verschotten en salarissen. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verzekeraars wordt verworpen en zij worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

5 oktober 2018
Eerste Kamer
17/03224
LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Den Haag,
2. AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Den Haag,
3. ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Utrecht,
4. REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Zoetermeer,
5. de vennootschap naar Belgisch recht
ALLIANZ BENELUX N.V., als rechtsopvolgster van London Verzekeringen N.V.,
gevestigd te Brussel, België,
EISERESSEN tot cassatie,
advocaten: mr. D. Rijpma en mr. M.S. van der Keur
t e g e n
1. [verweerster 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes,
e n
2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
3. [verweerster 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Eiseressen zullen hierna ook worden aangeduid als de verzekeraars, verweerster onder 1 als [verweerster 1] en verweerders onder 2 en 3 als de erven [betrokkene 1].

1.Het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn arrest in de zaak 10/04461 van 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8317, NJ 2014/248;
b. de arresten in de zaak 200.145.828/01 en 200.012.026/02 van het gerechtshof Den Haag van 28 april 2015 (2x) en 11 april 2017.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het tweede geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 11 april 2017 hebben de verzekeraars beroep in cassatie ingesteld.
De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerster 1] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor de verschenen partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de verzekeraars in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster 1] begroot op € 395,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris en aan de zijde van de erven [betrokkene 1] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
5 oktober 2018.