Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
9 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit november 2016. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht weken. In cassatie werd onder meer geklaagd over een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden.
De Advocaat-Generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest voor zover het de duur van de straf betrof, met vermindering van de straf, maar tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel geen cassatiegrond opleverde en dat het tweede middel gegrond was wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn.
Desondanks verbond de Hoge Raad aan deze overschrijding geen rechtsgevolg en verwierp het het beroep. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 9 oktober 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn; straf blijft acht weken gevangenisstraf.