Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
13 februari 2018.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag uit 2006. De Hoge Raad beoordeelde dat het bestreden arrest niet voldeed aan de wettelijke vereiste dat het arrest de bewijsmiddelen moet bevatten die de bewezenverklaring ondersteunen.
De verdediging klaagde terecht dat het arrest niet de gebruikte bewijsmiddelen bevatte, en ook was geen aanvulling opgemaakt zoals voorgeschreven in de wet. Dit is een ernstig procesrechtelijk gebrek dat leidt tot nietigheid van het arrest.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het hof voor hernieuwde berechting. De Hoge Raad volgde dit advies en vernietigde het arrest, wijzend de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag of een aangrenzend hof om het hoger beroep opnieuw te behandelen.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 13 februari 2018 onder nummer 16/05281, waarbij de vice-president en twee raadsheren het arrest uitspraken.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.