Uitspraak
gevestigd te Delft,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Enschede,
zetelende te Den Haag,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
De Staat heeft in de periode 2000 tot en met 2005 met diverse regelingen het EPA in de markt gestimuleerd. Nederland liep met het EPA vooruit op de harmonisatie van voorschriften voor energielabels in de Europese Unie.
De Staat heeft op diverse momenten verkondigd dat, na invoering van deze voorschriften in Nederlandse wet- en regelgeving in 2006, een verplichting zou worden geïntroduceerd om een EPA of Energie Prestatie Certificaat aan te bieden bij verkoop of verhuur van woningen en gebouwen.
Op grond van de EPB-richtlijn moesten de lidstaten de noodzakelijke maatregelen nemen opdat minimumeisen voor de energieprestatie van gebouwen worden vastgesteld (art. 4) en ervoor zorgen dat bij de bouw, verkoop of verhuur van een gebouw aan de eigenaar, of door de eigenaar aan de toekomstige koper of huurder, een energieprestatiecertificaat met een geldigheid van maximaal tien jaar wordt verstrekt (art. 7). Voorts bepaalde de EPB-richtlijn (in art. 10) dat de lidstaten ervoor moesten zorgen dat (onder meer) de certificering van gebouwen op onafhankelijke wijze werd uitgevoerd door gekwalificeerde en/of erkende deskundigen die hetzij zelfstandig, hetzij in dienst van een openbaar of particulier orgaan optraden. De lidstaten dienden de bepalingen van de EPB-richtlijn uiterlijk op 4 januari 2006 om te zetten in hun nationale wet- en regelgeving (art. 15 lid Pro 1). Bij gebrek aan gekwalificeerde of erkende deskundigen hadden de lidstaten een extra termijn van drie jaar voor de integrale toepassing van de art. 7, 8 en 9 EPB-richtlijn (art. 15 lid Pro 2).
De omzettingstermijn van de herziene EPB-richtlijn is verstreken op 9 juli 2012, maar de meeste bepalingen van de herziene EPB-richtlijn dienden uiterlijk 9 januari 2013 door de lidstaten te worden toegepast (art. 28).
De Tweede Kamer heeft het kabinet via moties opgeroepen tot vereenvoudiging van het systeem. Vervolgens heeft de minister in 2013 en 2014 de mogelijkheden voor een vereenvoudigd energielabel voor woningen besproken met de Tweede Kamer. Het vereenvoudigde energielabel is uiteindelijk met de bepalingen van de herziene EPB-richtlijn in de loop van 2014 geïmplementeerd.
Het nieuwe Beg en de nieuwe Reg zijn op 1 januari 2015 in werking getreden (Stb. 2014, 294, respectievelijk Stcrt. 2014, 29575).
Dat wordt niet anders door de door EnergyClaim c.s. aangehaalde arresten van het HvJEU in de zaken Danske Slagterier (HvJEU 24 maart 2009, zaak C-445/06, ECLI:EU:C:2009:178) en Jutta Leth (HvJEU 14 maart 2013, zaak C-420/11, ECLI:EU:C:2013:166, NJ 2013/364). Anders dan in die zaken kan in het onderhavige geval niet worden geoordeeld dat sprake is van een zodanig nauwe samenhang tussen de doelstelling van de geschonden norm en de belangen van eisers, dat de beschermingsdoelstelling van die norm zich mede tot de belangen van eisers uitstrekt. Bovendien stelt het relativiteitsvereiste grenzen aan de groep benadeelden die vergoeding kunnen vorderen van schade die zij lijden als gevolg van de overtreding van een norm.
Dat veronderstelt dat die groep kan worden afgebakend, hetgeen in het geval van de bedrijven waarvoor EnergyClaim c.s. opkomt niet goed mogelijk is. Op grond van het voorgaande is niet voldaan aan het Unierechtelijke relativiteitsvereiste. (rov. 27-31)
4.Beslissing
19 oktober 2018.