Uitspraak
zetelende te ’s-Gravenhage,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
beroep.
3.Beoordeling van het middel
Tot die datum was [verweerster] arbeidsongeschikt.
4.Beslissing
18 september 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft de vordering van een werknemer tegen de Staat wegens niet-tijdige implementatie van de Europese Richtlijn 2003/88 betreffende arbeidsduur en vakantiedagen. De werknemer was langdurig ziek en ontving slechts vergoeding voor vakantiedagen opgebouwd in de laatste zes maanden van haar dienstverband, terwijl zij volgens de richtlijn recht had op opbouw gedurende de gehele ziekteperiode.
De kantonrechter kende haar een schadevergoeding toe wegens onrechtmatig handelen van de Staat, omdat de nationale wetgeving in strijd was met de richtlijn en de Staat zijn discretionaire bevoegdheid kennelijk en ernstig had miskend. Het hof bevestigde dit oordeel en stelde de schade vast op € 1.416,65.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Staat. Hij bevestigde dat strijdige wetgeving onrechtmatig is en dat de Staat aansprakelijk is voor de schade. Het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro staat niet in de weg aan aansprakelijkheid op grond van strijd met verdragsrecht. De Hoge Raad onderstreepte het belang van de Europese rechtspraak en de directe werking van richtlijnen voor werknemersrechten.
De uitspraak bevestigt dat de Staat verplicht is tijdig EU-richtlijnen te implementeren en aansprakelijk is voor schade door nalatigheid. Dit arrest vormt een belangrijke bevestiging van de rechtspositie van werknemers met ziekteverlof en hun recht op vakantiedagen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de aansprakelijkheid van de Staat voor niet-tijdige implementatie van de EU-richtlijn en veroordeelt tot schadevergoeding aan de werknemer.