Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 maart 2018, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant werd behandeld. De zaak betrof de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2011.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en heeft de ingediende klachten van belanghebbende beoordeeld. De klachten werden niet gegrond bevonden en konden niet leiden tot cassatie. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd op 19 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.