Belanghebbende en haar echtgenoot, fiscaal partners, hielden samen 55% van de aandelen in een besloten vennootschap. In 2011 vervreemdden zij 50/55-deel van hun aandelenbelang. Het vervreemdingsvoordeel werd aanvankelijk volledig bij de echtgenoot belast. Na diverse procedures tot aan de Hoge Raad, waarin de aanslag bij de echtgenoot werd bevestigd, verzochten belanghebbende en haar echtgenoot gezamenlijk om een keuzeherziening waarbij het vervreemdingsvoordeel gelijk verdeeld zou worden.
De inspecteur heeft daarop aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd. Belanghebbende stelde dat de aanslag te hoog was en dat de inspecteur te laat uitspraak op bezwaar had gedaan. De rechtbank oordeelde dat het beroep tijdig was ingediend en dat de inspecteur niet onzorgvuldig had gehandeld. De rechtbank stelde vast dat het geschil over de hoogte van het vervreemdingsvoordeel niet beperkt is door eerdere procedures en dat belanghebbende onvoldoende nieuwe feiten had aangevoerd om van eerdere uitspraken af te wijken.
De rechtbank concludeerde dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd en dat ook de heffingsrente terecht in rekening is gebracht. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, de navorderingsaanslag blijft in stand en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding.