Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
6 november 2018.
Hoge Raad
De betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ondanks het instellen van het beroep heeft de betrokkene geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn, zoals vereist volgens art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene. De Hoge Raad heeft deze conclusie gevolgd en de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in het beroep. Hierdoor is het cassatieberoep niet inhoudelijk behandeld.
Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 6 november 2018.
Uitkomst: De betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.