Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
Met betrekking tot de primaire vordering van [eiser] heeft het daartoe bij tussenarrest overwogen dat [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat op grond van de tussen partijen gemaakte afspraak, [eiser] de economische eigendom verkreeg van de grond en de daarop te bouwen woning, en dat daaruit volgt dat [eiser] houder is voor [verweerder]. Aangezien niet blijkt dat hierin verandering is gekomen in de zin van art. 3:111 BW Pro, is van bezit van [eiser] geen sprake. (rov. 3.6-3.6.3)
4.Beslissing
9 november 2018.