Uitspraak
zonder bekende woon- of verblijfplaats, verblijvende in Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 november 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het niet beslissen op een verzoek om een second opinion bij een machtiging tot voortzetting van inbewaringstelling op grond van de Wet Bopz een grond is om het rechtsmiddelenverbod te doorbreken. Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen het ontbreken van een beslissing op dit verzoek, stellende dat hiermee artikel 29 Wet Pro Bopz en artikel 5 lid 1 EVRM Pro werden geschonden.
De Hoge Raad overwoog dat het beroep gericht was tegen een beschikking tot voortzetting van inbewaringstelling, een spoedprocedure met een korte beslistermijn en beperkte rechtsmiddelen. De wetgever heeft in art. 29 lid 2 Wet Pro Bopz bepaald dat verzoeken om nadere onderzoeken, waaronder een second opinion, in deze procedure aan het beleid van de rechter zijn overgelaten, die dergelijke verzoeken ook zonder motivering kan afwijzen.
Voorts oordeelde de Hoge Raad dat het EVRM geen absoluut recht op een second opinion geeft en dat de wettelijke waarborg dat de patiënt door een onafhankelijke psychiater wordt onderzocht voldoende bescherming biedt tegen willekeurige vrijheidsbeneming. Daarom is er geen sprake van schending van het grondrecht op vrijheid.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ontvankelijk maar verwierp het en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de beslissing van de rechtbank Rotterdam tot voortzetting van de inbewaringstelling zonder dat er een second opinion was toegekend.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het niet beslissen op een verzoek om second opinion bij voortzetting van inbewaringstelling geen schending van het EVRM inhoudt.