ECLI:NL:HR:2018:2104

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2018
Publicatiedatum
14 november 2018
Zaaknummer
18/03253
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Wet BopzArt. 29 Wet BopzArt. 30 Wet BopzArt. 5 lid 1 EVRMArt. 21 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen recht op second opinion bij voortzetting inbewaringstelling Wet Bopz

In deze zaak stond de vraag centraal of het niet beslissen op een verzoek om een second opinion bij een machtiging tot voortzetting van inbewaringstelling op grond van de Wet Bopz een grond is om het rechtsmiddelenverbod te doorbreken. Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen het ontbreken van een beslissing op dit verzoek, stellende dat hiermee artikel 29 Wet Pro Bopz en artikel 5 lid 1 EVRM Pro werden geschonden.

De Hoge Raad overwoog dat het beroep gericht was tegen een beschikking tot voortzetting van inbewaringstelling, een spoedprocedure met een korte beslistermijn en beperkte rechtsmiddelen. De wetgever heeft in art. 29 lid 2 Wet Pro Bopz bepaald dat verzoeken om nadere onderzoeken, waaronder een second opinion, in deze procedure aan het beleid van de rechter zijn overgelaten, die dergelijke verzoeken ook zonder motivering kan afwijzen.

Voorts oordeelde de Hoge Raad dat het EVRM geen absoluut recht op een second opinion geeft en dat de wettelijke waarborg dat de patiënt door een onafhankelijke psychiater wordt onderzocht voldoende bescherming biedt tegen willekeurige vrijheidsbeneming. Daarom is er geen sprake van schending van het grondrecht op vrijheid.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ontvankelijk maar verwierp het en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de beslissing van de rechtbank Rotterdam tot voortzetting van de inbewaringstelling zonder dat er een second opinion was toegekend.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het niet beslissen op een verzoek om second opinion bij voortzetting van inbewaringstelling geen schending van het EVRM inhoudt.

Uitspraak

16 november 2018
Eerste Kamer
18/03253
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[betrokkene],
zonder bekende woon- of verblijfplaats, verblijvende in Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.M. Wagemakers,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE in het arrondissement Rotterdam,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/10/551440/FA RK 18-4158 van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2018.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

3.1
De rechtbank heeft een machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene (art. 27 Wet Pro Bopz). Het middel klaagt dat de rechtbank de verzochte machtiging heeft verleend zonder te beslissen op het verzoek om een ‘second opinion’ dat de advocaat van betrokkene ter zitting heeft gedaan. Hiermee heeft de rechtbank art. 29 Wet Pro Bopz en art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM geschonden, dan wel haar beslissing onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, aldus de klacht.
3.2
Het beroep is gericht tegen een beschikking op een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in art. 27 Wet Pro Bopz. Ingevolge art. 29 lid 5 Wet Pro Bopz staat tegen deze beschikking geen gewoon rechtsmiddel open. Nu het middel evenwel klaagt over het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, is betrokkene ontvankelijk in zijn cassatieberoep (vgl. onder meer HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4375).
3.3
De gestelde doorbrekingsgrond doet zich echter niet voor. De onderhavige procedure betreft een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene. Het gaat hier om een spoedmaatregel met een korte duur (art. 30 Wet Pro Bopz) en een zeer korte beslistermijn voor de rechter (art. 29 lid 3 Wet Pro Bopz). Kennelijk in verband hiermee heeft de wetgever alleen de eerste volzin van art. 8 lid 6 Wet Pro Bopz op deze procedure van toepassing verklaard (art. 29 lid 2 Wet Pro Bopz). Dit brengt mee dat het bevelen van nadere onderzoeken in deze spoedprocedure is overgelaten aan het beleid van de rechter, en dat hij daarbij verzoeken van de betrokkene – ook ongemotiveerd – naast zich neer kan leggen. De wet voorziet er dus in dat in zo’n geval een betrokkene van zijn vrijheid wordt beroofd zonder aanspraak op een second opinion. In deze bijzondere procedure levert dat evenmin schending op van art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM. Het EVRM geeft een patiënt immers niet zonder meer aanspraak op een tweede deskundigenonderzoek (vgl. onder meer EHRM 27 april 2000, nrs. 47457/99 en 47458/99), en het wettelijk vereiste dat de patiënt persoonlijk is onderzocht door een niet bij de behandeling betrokken psychiater (art. 27 lid 2 in Pro verbinding met art. 21 Wet Pro Bopz) geeft reeds een waarborg tegen willekeurige vrijheidsbeneming. Er is dus geen sprake van het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
16 november 2018.