In deze zaak heeft belanghebbende cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 juni 2018, betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (OZB) voor het jaar 2016 met betrekking tot een onroerende zaak aan een adres te [Z].
De Hoge Raad heeft beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk is. Daarbij is overwogen dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Gelet op artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing betekent dat de uitspraak van het gerechtshof in stand blijft.
Het arrest is gewezen door de raadsheer Fierstra als voorzitter, en de raadsheren Wortel en Beukers-van Dooren, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2018.