ECLI:NL:HR:2018:2134

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2018
Publicatiedatum
15 november 2018
Zaaknummer
17/02368
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.3 lid 1 letter a Wet IB 2001Art. 1:157 BWArt. 1:158 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aftrekbaarheid hypotheekrente na echtscheiding zonder echtscheidingsconvenant

Belanghebbende was na zijn echtscheiding in 2009 in de voormalige echtelijke woning blijven wonen en betaalde in 2010 en 2011 de volledige hypotheekrente en premies levensverzekering, terwijl deze lasten in feite door hem en zijn ex-echtgenote ieder voor de helft gedragen werden. Er was geen echtscheidingsconvenant opgesteld. In een rechterlijke uitspraak over partneralimentatie werd rekening gehouden met de volledige hypotheeklasten en premies bij de draagkrachtberekening, en werd belanghebbende veroordeeld tot betaling van € 370 per maand aan partneralimentatie.

Het geschil betrof de vraag of het deel van de hypotheekrente en premies dat betrekking heeft op het aandeel van de ex-echtgenote aftrekbaar is voor belanghebbende als een wettelijke onderhoudsverplichting in de zin van artikel 6.3, lid 1, letter a, Wet IB 2001. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de door hem gedane betalingen konden worden aangemerkt als periodieke uitkeringen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting die in rechte vorderbaar is.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel. De enkele omstandigheid dat bij de draagkrachtberekening rekening is gehouden met de volledige hypotheeklasten betekent niet dat er een wettelijke verplichting tot uitkering rust op belanghebbende. Ook zonder echtscheidingsconvenant of expliciete rechterlijke toekenning van een uitkering tot levensonderhoud is er geen recht op aftrek van het betaalde deel van de ex-echtgenote. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de betaalde hypotheekrente en premies levensverzekering zijn niet aftrekbaar als onderhoudsverplichting.

Uitspraak

16 november 2018
nr. 17/02368
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 6 april 2017, nrs. 15/01441 en 15/01442, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. AWB 14/7128 en AWB 15/2498) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2010 en 2011 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 26 april 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:466).

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Het huwelijk van belanghebbende is in 2009 door echtscheiding ontbonden. Er is geen echtscheidingsconvenant opgesteld.
2.1.2.
De voormalige echtelijke woning (hierna: de woning) en de hieraan gekoppelde hypothecaire lening en levensverzekering gingen beide partijen ieder voor de helft aan.
2.1.3.
De ex-echtgenote heeft de woning in augustus 2009 verlaten. Belanghebbende is in de woning blijven wonen en heeft in 2010 en 2011 het volledige bedrag aan hypotheekrente en premies levensverzekering betaald.
2.1.4.
Bij rechterlijke uitspraak van 26 oktober 2010 is in hoger beroep over partneralimentatie beslist. Uit die uitspraak volgt dat in de draagkrachtberekening het volledige bedrag aan hypotheekrente en premies levensverzekering in mindering is gebracht op de draagkracht van belanghebbende en dat belanghebbende € 370 per maand aan partneralimentatie aan zijn ex-echtgenote moet voldoen.
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van de hypotheekrente en premies levensverzekering die betrekking hebben op het aandeel van de ex-echtgenote in de woning omdat sprake is van een onderhoudsverplichting in de zin van artikel 6.3, lid 1, letter a, Wet IB 2001
.
2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat door hem gedane betalingen hypotheekrente en premies die betrekking hebben op het aandeel van zijn ex-echtgenote in de woning, kunnen worden aangemerkt als periodieke uitkeringen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting en dat deze uitkeringen in rechte vorderbaar zijn.
Daarbij heeft het Hof onder meer overwogen dat het feit dat bij vaststelling van de partneralimentatie in de draagkrachtberekening bij belanghebbende rekening is gehouden met de volledige hypotheeklasten en premies levensverzekering, niet zonder meer betekent dat sprake is van een dergelijke verplichting. Met hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd is volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een overeenkomst tussen hem en de ex-echtgenote inhoudende de verplichting om ‘haar’ deel van de rente en premies te voldoen.
2.3.
Het middel komt op tegen in het 2.2.2 vermelde oordeel van het Hof. Het betoogt onder meer dat vaststaat dat belanghebbende de volledige hypotheekrente en premies levensverzekering heeft betaald naar aanleiding van rechterlijke beslissingen betreffende de alimentatieplicht en dus op grond van het familierecht van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Daarom komt volgens belanghebbende het door hem betaalde aandeel van de ex-echtgenote op de voet van artikel 6.3, lid 1, letter a, Wet IB 2001 bij hem voor aftrek in aanmerking.
2.4.1.
Van periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 6.3, lid 1, letter a, Wet IB 2001 is sprake wanneer rechtstreeks uit het familierecht een wettelijke verplichting tot het doen van die uitkeringen of verstrekkingen volgt. Het bestaan van zo’n wettelijke verplichting kan blijken uit een rechterlijke uitspraak waarbij een uitkering tot levensonderhoud is toegekend (artikel 1:157 BW Pro), of uit een overeenkomst tussen partijen waarbij is bepaald dat de één tegenover de ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden (artikel 1:158 BW Pro; veelal: een echtscheidingsconvenant).
2.4.2.
Of bij rechterlijke uitspraak een uitkering tot levensonderhoud is toegekend, moet worden beoordeeld door uitleg van die uitspraak naar objectieve maatstaven.
Of een overeenkomst tussen partijen een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 1:158 BW Pro inhoudt, dient door middel van uitleg met toepassing van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, nr. 11647, ECLI:NL:HR:1981:AG4158) te worden beoordeeld.
2.5.1.
Het oordeel van het Hof dat in dit geval geen sprake is van een overeenkomst, wordt in cassatie niet bestreden.
2.5.2.
Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, brengt de enkele omstandigheid dat bij het bepalen van de draagkracht van belanghebbende in een rechterlijke uitspraak rekening ermee is gehouden dat hij de volledige hypotheeklasten en premies levensverzekering betaalt, niet zonder meer mee dat die uitspraak inhoudt dat op belanghebbende een wettelijke verplichting tot het doen van een uitkering tot levensonderhoud rust. Het door het middel bestreden oordeel geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk. Het middel faalt daarom.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A Overgaauw, M.A. Fierstra, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2018.