Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 2 maart 2018, nr. 17/05344, ECLI:NL:HR:2018:299.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft bij de Hoge Raad een verzoek tot herziening ingediend van een eerder arrest. De griffier heeft belanghebbende per aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Ondanks deze kennisgeving is het griffierecht niet voldaan.
Vervolgens heeft de griffier belanghebbende opnieuw per aangetekende brief in de gelegenheid gesteld om te verklaren waarom het griffierecht niet tijdig was betaald. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Op grond van artikel 8:119, lid 3, Awb juncto artikel 8:41, lid 6, Awb wordt het verzoek om herziening derhalve niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is uitgesproken door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, en openbaar uitgesproken op 16 november 2018.
Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.