ECLI:NL:HR:2018:2178

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 november 2018
Publicatiedatum
22 november 2018
Zaaknummer
18/02002
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslagen loonheffingen

Belanghebbende, een vennootschap onder firma, stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 3 april 2018. Het geschil betrof naheffingsaanslagen loonheffingen over de tijdvakken van 1 april 2013 tot en met 31 december 2013 en van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014, inclusief de daarbij behorende beschikkingen inzake belastingrente en boetes.

De Hoge Raad ontving vijf cassatiemiddelen van belanghebbende, waarop de Staatssecretaris van Financiën een verweerschrift indiende. Na bestudering van de middelen oordeelde de Hoge Raad dat deze niet tot cassatie konden leiden, omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad zag daarom geen aanleiding tot nadere motivering en wees het beroep in cassatie ongegrond. Tevens werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, op 23 november 2018.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

23 november 2018
Nr. 18/02002
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] V.O.F.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 3 april 2018, nrs. BK‑17/00495 en BK-17/00496, op het hoger beroep van de Inspecteur alsmede het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 16/6383 en SGR 16/7734) betreffende de aan belanghebbende over de tijdvakken 1 april 2013 tot en met 31 december 2013 en 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 opgelegde naheffingsaanslagen in de loonheffingen, de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij vijf middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2018.