Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
27 november 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een snelheidsovertreding begaan door een onbekend gebleven bestuurder van een personenauto waarvan verdachte eigenaar was. De overtreding vond plaats op 13 oktober 2012 op de Rijksweg A2 nabij Vinkeveen, waarbij de maximumsnelheid van 100 km/u met ongeveer 59 km/u werd overschreden.
Verdachte werd als kentekenhouder verantwoordelijk gehouden voor de overtreding. Tijdens het hoger beroep klaagde verdachte dat de voorzitter van het Hof op de terechtzitting van 21 december 2016 had verzuimd hem mede te delen dat hij niet verplicht was tot antwoorden, terwijl hij geen raadsman had.
De Hoge Raad bevestigde dat het voorschrift van artikel 273, tweede lid, Sv beoogt de verdachte te beschermen tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling en dat het niet naleven van dit voorschrift kan leiden tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting indien de verdachte daardoor redelijkerwijs in zijn verdediging is geschaad.
In deze zaak was het echter niet aannemelijk dat verdachte door het verzuim in zijn verdediging was geschaad, omdat het Hof de verklaring van verdachte op die zitting niet als bewijs heeft betrokken. Daarom werd het beroep verworpen en bleef het arrest van het Hof in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen omdat het verzuim om het zwijgrecht mede te delen niet leidde tot nadeel voor zijn verdediging.