Belanghebbende, werkzaam als ICT-manager bij een bedrijf, participeerde in 2005 via een stichting in een Profit Sharing Loan (PSL) die verbonden was aan de aankoop van aandelen in een vennootschap. In 2011 werden de aandelen verkocht en ontving belanghebbende een aanzienlijke uitkering uit de PSL.
Belanghebbende deed aanvankelijk aangifte inkomstenbelasting 2011 met een hoog belastbaar inkomen, maar diende later een tweede aangifte in waarin het voordeel uit de PSL niet werd opgenomen. De Belastingdienst legde daarop een navorderingsaanslag op wegens het niet juist aangeven van het voordeel.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende te kwader trouw was omdat hij bewust de Inspecteur informatie had onthouden en dat het voordeel uit de PSL moest worden aangemerkt als resultaat uit een lucratief belang. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het beroep in cassatie af.
De Hoge Raad benadrukt dat het oogmerk van beloning voor werkzaamheden op het moment van verkrijging van de participaties aanwezig was en dat deelname aan de PSL slechts was aangeboden aan een beperkte groep managers. Ook het feit dat belanghebbende de tweede aangifte deed nadat hij wist dat het voordeel moest worden aangegeven, bevestigt de kwade trouw.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en op 30 november 2018 openbaar uitgesproken.