Belanghebbende, dochter van de oorspronkelijke aandeelhouder, kreeg in 2013 alle aandelen in een BV geschonken die onroerende zaken bezat die dienstbaar waren aan de materiële onderneming. Zij deed aangifte overdrachtsbelasting en beriep zich op de vrijstelling volgens artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR). De Inspecteur wees deze vrijstelling af en legde een naheffingsaanslag op.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de vrijstelling wel van toepassing was, mede op grond van eerdere doorkijkarresten van de Hoge Raad die de structuur van de WBR verduidelijken. De wetsfictie in artikel 4, lid 1, WBR is bedoeld om ontwijking via tussenschuiven van lichamen te voorkomen, maar niet om de vrijstelling in dit soort gevallen te ontkennen.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep en bevestigde het oordeel van het hof. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding.