De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk vernielen van een ruit van een bus van Connexxion. Het hof kende schadevergoeding toe aan de benadeelde partij, inclusief kosten voor rechtsbijstand, en legde een schadevergoedingsmaatregel op.
De Hoge Raad herhaalt de eerdere jurisprudentie dat kosten voor rechtsbijstand niet als directe schade in de zin van art. 51f Sv kunnen worden beschouwd en derhalve niet in aanmerking komen voor toewijzing in een strafproces of bij oplegging van een schadevergoedingsmaatregel op grond van art. 36f Sr. Deze kosten behoren tot de proceskosten en moeten afzonderlijk worden behandeld volgens art. 592a Sv.
Het hof had onterecht de kosten voor rechtsbijstand bij de materiële schade opgeteld en deze meegewogen bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad vernietigt dit deel van het arrest en wijst de vordering tot materiële schadevergoeding toe tot een bedrag van €1.335,09, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 augustus 2016. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering voor de kosten van rechtsbijstand.
Daarnaast legt de Hoge Raad de verdachte de verplichting op om het toegekende bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij, met een vervangende hechtenis van 23 dagen bij niet-betaling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.