Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
(...)"
4.Slotsom
5.Beslissing
11 april 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of kosten van rechtsbijstand kunnen worden beschouwd als rechtstreekse schade in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering en of deze kosten kunnen worden meegenomen bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De benadeelde partij had kosten voor rechtsbijstand gevorderd en het hof had deze kosten meegeteld bij de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad herhaalt eerdere jurisprudentie dat kosten van rechtsbijstand geen rechtstreekse schade zijn en daarom niet als onderdeel van de schade in de zin van artikel 51f Sv kunnen worden gevorderd of meegenomen bij de oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr.
Wel kunnen deze kosten worden beschouwd als proceskosten, waarover de rechter een afzonderlijke beslissing moet nemen op grond van artikel 592a Sv, en die in het vonnis moeten worden opgenomen volgens artikel 361, zesde lid, Sv. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling zonder de kosten rechtsbijstand mee te nemen in de schadevergoedingsmaatregel.
Daarnaast bespreekt het arrest de toepassing van het liquidatietarief bij de begroting van proceskosten en benadrukt dat de rechter van dit tarief kan afwijken mits gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover het de strafoplegging en de beslissing over de schadevergoeding en proceskosten betreft en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de schadevergoedingsmaatregel en proceskosten betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.