Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
4 december 2018.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van kraken en openlijke geweldpleging. De advocaat van de verdachte diende een schriftuur in ter onderbouwing van het beroep.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op basis hiervan verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest werd gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Van Dorst en Buruma, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 4 december 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan cassatiegronden.