Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
4 december 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het verspreiden van smaadschrift via Facebook, waarbij hij de eer en goede naam van de aangeefster zou hebben aangetast door telastelegging van een of meer bepaalde feiten. Het hof baseerde zich op een Facebookbericht met de tekst "IRIS (HERR'oplichter'assMAAMI" en een artikel over een strafzaak tegen een 21-jarige vrouw.
De Hoge Raad herhaalt de relevante criteria uit eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2016:2291) dat telastelegging van een bepaald feit vereist dat het feit concreet en duidelijk herkenbaar is toegespitst op een gedraging van de betrokkene. In deze zaak oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de uiting en het artikel voldoende concreet waren toegespitst op de aangeefster.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het gaat om de bewezenverklaring en strafoplegging met betrekking tot het tweede tenlastegelegde feit en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting. Het overige beroep wordt verworpen.
De zaak betreft een interpretatie van art. 261 Sr Pro over smaad en smaadschrift, waarbij het onderscheid tussen een algemeen verwijt en een concrete gedraging centraal staat. De Hoge Raad benadrukt het belang van een duidelijke motivering bij de vaststelling van telastelegging van een bepaald feit.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor het tweede tenlastegelegde en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.