Conclusie
3.Het eerste middel
Feit 2
opzettelijkde eer of goede naam van de aangeefster heeft aangerand, toereikend gemotiveerd.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens smaadschrift door het verspreiden van berichten op Facebook waarin de naam "Iris" werd gekoppeld aan de term "oplichter" en een artikel over een strafzaak tegen een 21-jarige vrouw uit Hoogeveen. Het hof stelde dat hiermee de eer en goede naam van de aangeefster was aangetast door telastelegging van een bepaald feit. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de uiting concreet genoeg was toegespitst op een bepaald feit in de zin van art. 261 Sr Pro.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat een bepaald feit een duidelijk te onderkennen concrete gedraging moet zijn, en dat algemene of vage beschuldigingen niet voldoen. Het hof heeft echter terecht geoordeeld dat de combinatie van de naam "Iris", het woord "oplichter" en het artikel over de strafzaak voldoende concreet was om als telastelegging van een bepaald feit te gelden. Het verweer dat de volledige naam niet genoemd werd, faalt omdat de identiteit uit de context voldoende blijkt.
De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden door late aanlevering van stukken, maar ziet geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden gezien de lage geldboete. Het cassatieberoep wordt verder verworpen. De conclusie van de Procureur-Generaal bevestigt dat de bewezenverklaring en bewijsmiddelen samen de aantasting van de eer en goede naam voldoende onderbouwen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt deels arrest wegens onvoldoende motivering over telastelegging bepaald feit en bevestigt dat sprake is van smaadschrift; redelijke termijn overschreden zonder gevolgen.