Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
4 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd bewezenverklaard dat hij op 13 januari 2014 te Naaldwijk valse aangifte deed van diefstal van een mobiele telefoon, terwijl hij wist dat het strafbare feit niet had plaatsgevonden. De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit het arrest van 3 maart 1902 (W. 7735) waarin werd vastgesteld dat art. 188 Sr Pro ziet op het doen van aangifte van een strafbaar feit waarvan men weet dat het niet is gepleegd.
Verdachte voerde onder meer aan dat art. 188 Sr Pro niet van toepassing kan zijn indien de aangifte later wordt ingetrokken, en dat alleen iemand die kennis heeft van een gepleegd strafbaar feit aangifte kan doen. De Hoge Raad verwierp deze verweren en benadrukte dat intrekking van de aangifte geen invloed heeft op de strafbaarheid volgens art. 188 Sr Pro. Ook is het niet vereist dat degene die aangifte doet kennis draagt van het feit, maar juist dat hij weet dat het feit niet is gepleegd.
De bewijsvoering bestond uit proces-verbalen van aangifte, aanvullende aangifte, verhoren van verdachte en betrokkenen, en WhatsApp-gesprekken die de onwaarheid van de aangifte onderbouwen. De Hoge Raad concludeert dat het hof terecht de bewezenverklaring heeft uitgesproken en het cassatieberoep verworpen moet worden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de bewezenverklaring van het doen van valse aangifte volgens art. 188 Sr.