Defam ontving in mei 2017 een kredietaanvraag met vermoedelijk vervalste documenten. Na onderzoek plaatste Defam de persoonsgegevens van appellanten in het incidentenregister en het extern verwijzingsregister (EVR). Appellanten werden later vrijgesproken in een strafzaak. Zij vorderden bij de rechtbank een verklaring voor recht dat Defam onrechtmatig had gehandeld door de valse aangifte en onterechte registratie, en aansprakelijk was voor de schade.
De rechtbank wees de vorderingen af, maar het hof vernietigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat Defam geen valse aangifte heeft gedaan, omdat de medewerkster te goeder trouw handelde. Wel heeft Defam onrechtmatig gehandeld door persoonsgegevens onterecht te registreren en te handhaven in het EVR, omdat onvoldoende was onderzocht of appellanten daadwerkelijk betrokken waren bij het incident.
Defam had onvoldoende onderzoek gedaan naar de betrokkenheid van appellanten, met name van de echtgenoot, en na bezwaar geen nader onderzoek ingesteld. De registratie en handhaving waren daarmee in strijd met de toen geldende privacyregels (Wbp en later AVG). Het hof veroordeelt Defam tot betaling van proceskosten en verklaart dat Defam aansprakelijk is voor de schade, nader op te maken bij staat.