Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
4 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot opzettelijke vrijheidsberoving en openlijke geweldpleging. De advocaat van verdachte stelde een middel van cassatie voor, waarop de Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad beoordeelde het middel en oordeelde dat het niet tot cassatie kan leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van het hof en leidt tot verwerping van het cassatieberoep van verdachte.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.