ECLI:NL:PHR:2023:1023

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2023
Publicatiedatum
12 november 2023
Zaaknummer
22/02536
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 285 SrArt. 287 SrArt. 27 SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt poging doodslag ondanks discussie over herkenning en voorwaardelijk opzet

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor poging tot doodslag en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, naar aanleiding van een steekincident op 29 juni 2018 waarbij het slachtoffer een diepe snijwond opliep. De herkenning van de verdachte op camerabeelden was een belangrijk bewijs, waarbij 16 getuigen, waaronder familieleden en bekenden, hem herkenden aan zijn unieke loopje, postuur, kleding en tas. De verdediging voerde aan dat de herkenning onbetrouwbaar was vanwege slechte beeldkwaliteit en voorinformatie, maar het hof achtte de herkenningen betrouwbaar en niet beïnvloed door voorinformatie.

De Hoge Raad overwoog dat herkenningen door personen die de verdachte goed kennen betrouwbaar kunnen zijn, ook als zij vooraf informatie hadden, mits dit niet leidde tot sturing. De aard, ernst en locatie van het letsel wezen op een bovenhands, krachtig toegebrachte steek met een scherp mes, wat een aanmerkelijke kans op overlijden inhoudt. De verdachte had volgens het hof voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, wat door de Hoge Raad niet onbegrijpelijk werd bevonden.

Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, wat leidt tot strafvermindering. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest uitsluitend wat betreft de strafduur en vermindert deze naar de gebruikelijke maatstaf. Het beroep wordt voor het overige verworpen, waarmee de veroordeling voor poging doodslag en bedreiging in stand blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor poging tot doodslag en bedreiging, vernietigt het arrest alleen vanwege schending van de redelijke termijn en vermindert de strafduur.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02536
Zitting14 november 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 11 juli 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. "poging tot doodslag" en 2. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van twee paar in beslag genomen, nog niet teruggegeven, schoenen en beslist op de vorderingen de twee benadeelde partijen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Het eerste middel richt zich op het tot het bewijs bezigen van een aantal getuigenverklaringen dat betrekking heeft op de herkenning van de verdachte op videobeelden. Het tweede middel ziet op het oordeel van het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van de aangeefster. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen weer.

2.Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“1. primair
op 29 juni 2018 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet
- tegen die [slachtoffer 1] heeft geroepen: 'Ik steek jullie neer', althans woorden van gelijke aard en strekking en
- vervolgens met een mes, althans een scherp (steek)voorwerp, in de (linker)arm en/of (linker)schouder van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
2.
op 29 juni 2018 te [plaats] . [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door tegen die [slachtoffer 2] te roepen "Ik steek jullie neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.”
2.2
De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
“1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 29 juni 2018 […] voor zover inhoudende als
verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] :
Plaats delict : [a-straat] , [plaats]
Pleegdatum/tijd : Tussen vrijdag 29 juni 2018 om 03:20 uur en vrijdag 29 juni 2018 om 03:30 uur
Ik doe aangifte van poging doodslag c.q. zware mishandeling. Over het gebeuren kan ik u het volgende vertellen. [slachtoffer 2] (
het hof begrijpt aangeefster [slachtoffer 2] )en ik waren uit geweest op de [b-straat] in [plaats] . Wij zijn lopend teruggegaan naar huis. In het begin van de [a-straat] , gezien vanuit het centrum van [plaats] , kwamen wij die man tegen. Ik kan mij nog herinneren dat hij langs ons heen liep en dat hij wat zei. Ik weet niet wat hij zei. Wat ik nog denk te weten is dat wij daar niet op hebben gereageerd. Of ik heb gezegd "van doe eens normaal", want hij zei iets heel raars. Die man liep volgens mij aan dezelfde kant als waar [slachtoffer 2] en ik liepen. Wij liepen aan de rechterkant van de straat. Wij liepen volgens mij op de stoep. Die man schopte mij vervolgens tegen mijn linker bovenbeen. Ik weet niet hoe die man mij vervolgens heeft gestoken. In mijn hoofd liep die man eerst een stukje door, voordat hij terug kwam lopen, naar ons toe. Toen werd hij heel boos, hij schopte mij. Ik weet niet meer hoe ik daar op heb gereageerd en opeens lag ik op de grond. Ik zag toen allemaal bloed bij mijn arm. Ik weet nog wel dat hij zoiets zei van: "ik steekje”. Of hij zei: "ik kan jullie steken”, zoiets zei hij. Ik weet dat het geen Nederlander was. Hij had in ieder geval donker haar. Die man was volgens mij iets groter dan dat ik ben. Ik ben 1.73 meter. Volgens mij was hij een beetje gezet.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2018 […] voor zover inhoudende als
relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
[…]
Ik hoorde dat getuige [slachtoffer 2] (
het hof begrijpt aangeefster [slachtoffer 2]) mij vertelde dat de dader een jongen was van Turkse of Marokkaanse afkomst van ongeveer 35 jaar oud. Hij zou bruin haar hebben en een bruine jas aan hebben. Ik hoorde dat getuige [slachtoffer 2] vertelde dat ze samen naar huis liepen en dat de verdachte haar vriendin ineens voor "hoer" had uitgemaakt en meteen hierop had neergestoken.
Getuige [slachtoffer 2] gaf aan dat de verdachte was weggelopen in de richting van [c-straat] .
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 juni 2018 […] voor zover inhoudende als
verklaring van getuige/aangeefster [slachtoffer 2] :
We (
het hof begrijpt aangeefster [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) zijn de weg overgestoken richting de [a-straat] . Vanuit de [a-straat] kwam er een man op ons aflopen. Hij liep aan de rechterkant van de straat, deels op de rijbaan volgens mij. Wij liepen ook aan de rechterkant van de straat. Toen de man op ons af kwam lopen, zag ik dat hij iets in zijn rechterhand had. Ik kon niet zien wat dat was. Ik hoorde dat de man in zichzelf aan het praten was. Hij kwam op mij opgefokt over door zijn houding en manier van praten. De man passeerde ons aan de linkerkant. Ik hoorde dat de man, toen hij ons gepasseerd was dingen zei tegen ons die best wel beledigend waren. Hij zei iets van "stelletje hoeren”. Ik denk dat hij op dat moment ongeveer 6 meter bij ons vandaan was. [slachtoffer 1] en ik draaiden ons om waarop we zeiden: “wat huh"? Ik zag dat die man zich omdraaide en in versnelde pas op ons af kwam lopen. Toen hij tegenover [slachtoffer 1] stond riep hij iets in de trant van “ik steek jullie neer”. Voor ik het wist had [slachtoffer 1] haar linkerschouder open liggen. Dit ging heel snel. Ik heb ook geen mes of iets dergelijks gezien. De man rende vervolgens weg. Ik zag dat [slachtoffer 1] naar haar linkerschouder greep. Ik zag dat er bloed over haar hand liep. Ik heb toen direct 112 gebeld, Ik heb om 03.30 uur naar het alarmnummer 112 gebeld.
De dader van het steekincident kan ik als volgt omschrijven;
- een Turkse man
- getinte huidskleur;
- ;
- tussen de 30 en 40 jaar oud;
- klein en gezet postuur;
- donker/zwart haar, haar was kort met dun haar bovenop;
- opvallende brede wenkbrauwen, borstelachtig;
- licht beige jas, met twee zakken aan de voorzijde;
- donkere kleding;
- opvallend loopje, soort pinguïnloopje;
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2018 […] voor zover inhoudende als
relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op vrijdag 29-06-2018 zijn de beelden van de Chocolaterie [A] aan de [a-straat 1] te [plaats] verkregen. Op zaterdag 30-06-2018 heb ik, verbalisant, de verkregen beelden van de Chocolaterie uitgekeken. Ik, verbalisant, zag bij bekijken van de camera beelden dat er 5 minuten verschil tussen de tijd van de beveiligingscamera’s en de daadwerkelijke tijd zat. De tijd van de beelden liep 5 minuten voor op de daadwerkelijke tijd.
03:30:35 - 03:30:49 (
het hof begrijpt 03:25 (03:30 minus 5 minuten)) Een persoon loopt boven het beeld in, deze persoon komt uit de richting van [c-straat] en loopt langs de camera in de richting van de [a-straat] . De persoon lijkt een donkere broek en donkere schoenen te dragen met daarboven een lichtkleurige jas.
03:30:57 - 03:31:17 Dezelfde persoon die op 03:30:35 uur in beeld kwam komt nu weer in beeld lopen. Dit keer vanuit de richting van de [a-straat] . De persoon loopt naar links boven in het beeld, houdt dan even in en loopt vervolgens weer in de richting van [c-straat] . Op de beelden is te zien dat de persoon een tas op zijn rug heeft.
03:32:55 - 03:33:40 Links boven in het beeld is wederom beweging van een persoon te zien welke uit de richting van [c-straat] komt. Daarna loopt de persoon verder het beeld in en blijkt dezelfde persoon te zijn die hierboven al is benoemd. De persoon loopt het beeld in richting de [a-straat] . Op 03:33:17 blijft de persoon even staan, vervolgens keert de persoon zich om en loopt weer het beeld uit in de richting van [c-straat] .
03:33:43 - 03:33:55 Twee personen lopen naast elkaar links boven het beeld in. Ze lopen in de richting van de [a-straat] het beeld weer uit.
03:34:18 - 03:34:20 Er rent een persoon vanuit de richting van [c-straat] door het beeld in de richting van de [a-straat] , dezelfde richting uit als waar de twee personen daarvoor heenliepen.
03:35:10 - 03:35:13 Dezelfde persoon met de donkere broek en lichte jas rent het beeld in vanuit de richting van de [a-straat] en in de richting van [c-straat] . Vervolgens rent de persoon de hoek om de [c-straat] op in de richting van de [d-straat] .
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juli 2018 […] voor zover inhoudende als
relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Op zaterdag 30 juni 2018 werden naar aanleiding van het steekincident van 29 juni 2018 de beelden van de Albert Heijn, [e-straat 1] te [plaats] , gevorderd en verkregen. Het betreft beelden van de periode 29 juni 2018 03.00 uur en 04.00 uur van de camera welke bij de hoofdingang van de Albert Heijn hangt en zicht geeft op [c-straat] en een gedeelte van de [a-straat] .
Op de beelden van de Albert Heijn staan geen datum of tijd vermeld. De tijd van de beelden worden aangeduid met minuten [beelden van 03.00 - 04.00 uur] startend vanaf 00.00.
00.32.41
uur Persoon 1 komt vanuit de richting van de [f-straat] aanlopen. Persoon draagt lichte bovenkleding en donkerkleurige broek;
00.34.02
uur Persoon 1 staat bij de verkeerslichten van [c-straat] zijde [a-straat] ;
00.34.09
uur Persoon 1 loopt richting de chocolaterie, loopt hiervoor langs en komt weer terug lopen richting verkeerslicht van [c-straat] ;
00.35.00
uur Persoon 1 staat bij verkeerslicht [c-straat] ;
00.35.46
uur Persoon 1 staat voor de Chocolaterie;
00.35.56
uur Personen 2 en 3 steken [c-straat] over. Ze komen uit de richting van de [b-straat] [centrum uit];
00.35.57
uur Persoon 1 loopt richting verkeerslicht [c-straat] . Persoon 1 loopt richting persoon 2 en 3 op het moment dat deze de straat oversteken;
00.36.16
Persoon 2 en 3 lopen langs de chocolaterie de [a-straat] verder in en verdwijnen uit het zicht van de camera;
00.36.29
uur Persoon 1 rent richting persoon 2 en 3 en verdwijnt uit beeld van de camera;
00.37.12
uur Persoon 1 rent hard weg richting [c-straat] .
6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juli 2018 […] voor zover inhoudende als
relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Op donderdag 11 juli 2019 heb ik, verbalisant, de verkregen beelden van [B] beschreven Ik zag dat de camerabeelden begonnen op 29-06-2018 op het tijdstip 02:30:08 uur (03:30:08 uur werkelijke tijd) en eindigen op 29-06-2018 op het tijdstip 02:31:39 uur (03:31:39 uur werkelijke tijd).
02:31:08 uur (
het hof begrijpt: 03:31:08): Links komt een manspersoon in beeld over het trottoir aan de overkant van [B] . Hij komt vanuit de richting van de [d-straat] te [plaats] .
02:31:14 uur (
het hof begrijpt 03:31:14): De manspersoon steekt met ferme pas de straat over in de richting van de [g-straat] . Hij zwaait opvallend met zijn linker arm; zijn rechterarm houdt hij nagenoeg stil of heeft hij in zijn jaszak;
Signalement:
Man
Stevig tot dik postuur
Overhemd of t-shirt met een jasje erover
Lange broek, donker van kleur
Schoenen donker van kleur
Pet
Schouder tasje
7. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 juli 2019 […] voor zover inhoudende als verklaring van getuige
[betrokkene 1](een nichtje van de verdachte):
Vraag: Je vertelde ons datje [verdachte] (
het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) hebt herkend op de camerabeelden die werden getoond op Opsporing Verzocht. Hoe ging dat? Antwoord: Mijn zus herkende hem op de beelden, ze belde mij en vertelde dat het om [verdachte] ging. Ik geloofde het in eerste instantie niet en wist niet wat mij overkwam, maar kwam bij het bekijken van de beelden meteen tot de conclusie dat het om [verdachte] ging. Ik liet de beelden ook aan mijn broertje zien. Hij herkende hem ook meteen. De beelden die getoond werden, waren van slechte kwaliteit, maar desondanks herkende ik [verdachte] meteen. Ik herkende hem aan zijn loopje, zijn petje, postuur en voor 80% aan zijn tas. Een dusdanige tas heb ik wel vaker bij hem gezien. Ik heb tot nu toe nog niemand anders gezien met hetzelfde loopje in [plaats] . Ik vind het lastig het loopje te omschrijven. Hij heeft echt een heel uniek loopje. Het is gewoon hem, helaas.
8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juli 2019 […] voor zover inhoudende als
relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :
Aan het eind van het verhoor lieten wij getuigen [betrokkene 2] (
het hof begrijpt: [betrokkene 2] , de zus van de verdachte), [betrokkene 3] (
het hof begrijpt: [betrokkene 3] , het neefje van de verdachte) en [betrokkene 4] (
het hof begrijpt: [betrokkene 4] , het nichtje van de verdachte) camerabeelden zien, die zijn opgenomen door de camera van [B] te [plaats] . Wij hoorden dat [betrokkene 4] bij het zien van de beelden meteen aangaf dat het om haar oom [verdachte] ging. Desgevraagd gaf ze aan dat ze het moeilijk vindt uit te leggen waar ze het aan ziet. Volgens [betrokkene 4] droeg haar oom altijd een petje, had hij altijd een tas bij zich en herkende ze hem aan zijn postuur en loopje. Ze gaf aan dat hij een beetje waggelde.
Wij hoorden dat [betrokkene 3] bij het zien van de beelden ook meteen zijn oom [verdachte] herkende. Hij zei, dat wanneer je [verdachte] kent, je meteen weet dat het om hem gaat. Hij zei dat hij hem herkende aan het loopje. Wij zagen dat hij het loopje in de woonkamer probeerde te imiteren.
Wij zagen dat [betrokkene 2] , bij het kijken naar de beelden eerst begon te lachen, waarop wij hoorden dat ze zei “ [verdachte] ". Hierop vroegen wij of zij bedoelde dat de persoon op de camerabeelden, haar broer, [verdachte] betrof. [betrokkene 2] bevestigde dit.
9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2019 […] voor zover inhoudende als
relaas van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] :
Wij, verbalisanten, hebben [betrokkene 5] (
het hof begrijpt: [betrokkene 5]) de beelden van de uitzending Opsporing Verzocht op onze diensttelefoon getoond. Na het zien van de beelden door [betrokkene 5] hoorden wij haar zeggen dat zij de persoon op de beelden voor 100% herkende aan zijn speciale loopje. Tevens vertelde [betrokkene 5] ons dat dit de persoon is die in 2015 een toegangsverbod heeft gekregen voor de [H] . Het formulier, toegangsverbod [H] waarop zij het toegangsverbod beschrijven met een foto van de persoon die het betreft, hadden wij reeds gekregen van de Manager [betrokkene 6] . Dit formulier hebben wij, verbalisanten, aan [betrokkene 5] getoond. Hierop hoorden wij haar zeggen dat dit voor 100% de persoon is van de beelden van Opsporing Verzocht. Wij, verbalisanten, toonde [betrokkene 5] een foto van de persoon die wij verkregen hadden uit de door ons beschikbare politiesysteem SKDB. Na het zien van deze foto hoorden wij [betrokkene 5] zeggen dat het voor 100% dezelfde persoon is als de persoon op de foto van het toegangsverbod van de [H] . Wij, verbalisanten, vroegen [betrokkene 5] of zij de naam wist van deze persoon. Hierop vertelde [betrokkene 5] dat de persoon op de foto [verdachte] heet.
[betrokkene 5] werkt al 19 jaar bij de [H] en vertelde ons dat zij deze man al 12 a 13 jaar kent als klant van de [H] . Wij, verbalisanten, hebben [betrokkene 5] gevraagd hoe goed zij deze persoon kende. Zij vertelde ons dat zij deze persoon goed kende en ook vaak tegen kwam bij de sportschool [C] aan de [h-straat] in [plaats] . Ook kwam zij hem regelmatig tegen in de stad.
10. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 februari 2019 […] voor zover inhoudende als
verklaring van getuige [betrokkene 7] :
Na de beelden van Opsporing Verzocht te hebben gekeken dacht ik meteen dat de man op de beelden [verdachte] was. Dat kwam door het loopje en de houding van de man. Ik herkende hem aan zijn manier van lopen. Hij heeft een soort rechte rug en loopt een met zijn armen zwaaiend langs zijn lichaam. Ik herkende de man op de beelden van de [i-straat] Ik ken [verdachte] van mijn tijd dat ik bij [D] aan het werk was.
11. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 februari 2019 […] voor zover inhoudende als
verklaring van getuige [betrokkene 8] :
Toen ik het item van de [a-straat] (
het hof begrijpt: de uitzending van Opsporing Verzocht van 5 februari 2019) zag dacht ik gelijk de man te herkennen. Ik ken hem als [verdachte] . Ik herkende hem door zijn postuur, zijn loopje en zijn tasje. Ik ken hem uit het centrum van [plaats] . Ik ken hem nu al een aantal jaren. Hij ging met iemand om die ik ook kende. Zo kwamen wij met elkaar in contact.
12. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2019 […] voor zover inhoudende als
relaas van verbalisant [verbalisant 9] :
Op donderdag 7 februari 2019 omstreeks 13:30 uur zag ik dat de mij ambtshalve bekende betrokkene [betrokkene 9] voor de deur van de wijkpost stond. [betrokkene 9] ken ik vanuit de periode dat ik werkzaam was als wijkagent in de wijk [E] en [F] . Hij was toen werkzaam als welzijnswerker in het jongerencentrum " [G] ". Ik hoorde dat [betrokkene 9] (
het hof begrijpt: [betrokkene 9]) zei dat hij de aflevering van 5 februari 2019 van Opsporing Verzocht had gekeken en dat hij daar graag even over wilde praten. [betrokkene 9] zei dat hij het onderwerp "Steekpartij op de [a-straat] te [plaats] " nauwlettend had gevolgd. Hierbij waren beelden vertoond waarop de verdachte te zien was geweest. [betrokkene 9] zei dat er een schok door hem heen was gegaan toen hij de verdachte had zien lopen. Ik hoorde dat [betrokkene 9] zei: "De man herken ik voor de volle 100 procent. Het is [verdachte] . Hoe zijn achternaam is weet ik niet, maar hij woont op de [j-straat] bij zijn ouders. Het meest kenmerkende aan hem is zijn belachelijke loopje. Ik heb me altijd aan dat loopje gestoord en dat hij wist dat de man vrijwel altijd een tasje bij zich had. Ook wist [betrokkene 9] te vertellen dat [verdachte] altijd aan het lopen is, ook in de nacht. Hij had hem in de nachtelijke uren meerdere keren gezien in de omgeving van de [a-straat] en de [k-straat] omdat [verdachte] een hoerenloper was.
13. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 februari 2019 […] voor zover inhoudende als
verklaring van getuige [betrokkene 9] :
Ik heb de uitzending (
het hof begrijpt: de uitzending van Opsporing Verzocht van 5 februari 2019) gekeken. Ik herkende [verdachte] (
het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) gelijk op de beelden. Aan het loopje en zijn postuur. Voor 100 procent was ik er zeker van dat het [verdachte] was. Ik ben in 2001 bij Buurthuis [G] komen werken. [verdachte] kwam daarbij het buurthuis koffie drinken. Ik was daar sociaal cultureel werker. Ik zag hem heel vaak op de [a-straat] lopen. Hij droeg altijd een schoudertas. Ik zag hem heel vaak. Een paar weken voor 29 juni 2018 heb ik hem voor het laatst gezien.
14. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 februari 2019 […] voor zover inhoudende als
verklaring van getuige [betrokkene 10] :
Ik kijk regelmatig naar Opsporing Verzocht. Ik hoorde in een voorafje dat er een zaak uit [plaats] in behandeld zou worden. Ik hoorde een steekincident, ik hoorde ook dat er een man werd gezocht met een apart loopje. Ik heb zelf 21 jaar in [plaats] gewoond. Ik ken hier veel mensen daarom werd ik geprikkeld om te kijken. Ik heb vervolgens naar de uitzending gekeken. Ik herkende toen binnen 2 seconden die man als iemand die ik regelmatig tegen kom in het centrum van [plaats] . Ik herken deze man uit duizenden. Hij heeft echt een heel specifiek loopje. Die man die ik bedoel is een beetje gezet, hij heeft een buikje, hij heeft korte beentjes, een beetje een bol gezicht. Wat grotere lippen, hij is ongeveer tussen de 35 en 45 jaar oud. Ik weet het bijna zeker dat hij Turks is. Ik heb 21 jaar in [plaats] gewoond, ik ging in die tijd veel uit. Ik ben die man waar ik over praat vaak tegen gekomen op de [a-straat] en de [l-straat] . Ik ben hem ook wel eens tegen gekomen in het centrum. Hij draagt ook altijd een heuptas, die hij naast zijn lichaam droeg. Hij droeg deze tas zo kruislings over zijn lichaam, het was best een grote tas. Verder droeg hij en beige kleurige lange jas tot over zijn kont. Hij draagt deze jas meestal open, dan zie je ook zijn dikke buik. Ik kan zijn loopje uit duizenden herkennen. Ik herken zijn loopje uit de camerabeelden van de [a-straat] en die van de [l-straat] , die beelden waar hij rustig op liep.
Vraag: Wij tonen jou een afbeelding van een man (
het hof begrijpt: de als bijlage bij het verhoor[…]
gevoegde foto van verdachte [verdachte]). Wat kun jij over deze man vertellen?
Antwoord: Ja, dat is hem(...). Dat is hem!, dat is die man die ik bedoel met zijn aparte loopje.
15. De verklaring ter terechtzitting van het hof d.d. 27 juni 2022, inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van de verdachte
[verdachte] ;
Bovenop mijn hoofd is mijn haar wat dun. Het klopt dat ik interesse heb voor een haarimplantatie
16. Een schriftelijk bescheid, te weten een verslag letselonderzoek d.d. 29-06-2019 betreffende [slachtoffer 1] opgemaakt door
[betrokkene 11] , forensisch arts[…] voor zover inhoudende:
Het letsel bevindt zich op de linker bovenarm beginnend van achter /onder het bovenarmschouder gewricht diagonaal naar voren tot op 2/5 van de bovenarm aan de binnenzijde van de bovenarm. Het betreft een ruim 20 cm lang scherp letsel dat door de spierlaag van de deltaspier en de bicepsspier is gesneden. Het letsel kan veroorzaakt zijn met een scherp voorwerp zoals een steekmes, een scherp koksmes. Een uiterst scherp voorwerp als een Stanley of afbreekmes kan wel maar is waarschijnlijk te kort om met een snede dan wel houw de diepte door de spier te halen en tevens het hele traject te doorsnijden. Meest waarschijnlijk is het letsel veroorzaakt door een scherpsnijdend voorwerp, mogelijke een groot mes
17. Een schriftelijk bescheid, te weten letsel interpretatie, een aanvulling op rapportage behorende bij letselrapportage d.d. 26-06-2018 betreffende [slachtoffer 1] , opgemaakt op 29 augustus 2020 door [betrokkene 12] , arts maatschappij en gezondheid, forensisch arts KNMG voor zover inhoudende:
Het letsel betreft een grote snijwond verlopend van de buitenzijde van de bovenarm juist onder het schoudergewricht richting handwaarts over de voorzijde van de bovenarm tot ongeveer 2/5 van de arm. Op basis van de foto’s wordt de lengte van de wond geschat op 20 tot 30 cm. De diepte van de wond wordt geschat op 3 tot 6 cm. Indien de wond dieper en groter was geweest hadden bloedvaten, zenuwen en (meer) spieren en pezen geraakt kunnen worden. Aan de voor- en binnenzijde van bovenste helft van de bovenarm lopen de bovenarmslagader, de bovenarmader en drie grote zenuwen die de arm en de hand verzorgen voor gevoel en motoriek (beweging en spierkracht). Een geheel of gedeeltelijke doorsnijding van de slagader zal tot acuut fors bloedverlies aanleiding geven.
Indien geen adequate behandeling wordt ingezet (afklemming van de bovenarm) kan dit (....) tot de dood leiden.
18. Een schriftelijk bescheid, te weten een geprint e-mailbericht gedateerd 1 september 2020 met als onderwerp aanvullende rapportage opgemaakt door
[betrokkene 12] , arts maatschappij en gezondheid, forensisch arts KNMGvoor zover inhoudende:
Duidelijk is dat letsel van de bovenarmslagader ernstig letsel is dat tot een levensbedreigende situatie kan leiden”
2.3
Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en de omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Steekincident
Op vrijdag 29 juni 2018 omstreeks 03.30 uur liep aangeefster [slachtoffer 1] samen met aangeefster [slachtoffer 2] door het centrum van [plaats] naar huis. Op de [a-straat] heeft een voor haar onbekende man met een scherp voorwerp een grote, diepe en gapende snede gemaakt ter hoogte van haar linkerschouder over vrijwel de hele binnenzijde van haar bovenarm heen. Aan het steekincident gaat een zeer korte confrontatie vooraf, waarin de onbekende man iets roept in de trant van "ik steek jullie neer”.
Direct na het steekincident heeft [slachtoffer 2] hiervan via het 112-alarmnummer melding gemaakt. Op de plaats delict is van [slachtoffer 2] een verklaring opgenomen. [slachtoffer 2] geeft aan dat de dader is weggelopen in de richting van [c-straat] .
Signalement
Van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn op 29 juni 2018 aangiften opgenomen.
[slachtoffer 1] geeft als signalement van de dader:
- geen Nederlander;
- iets groter dan 1.73;
- een beetje gezet.
[slachtoffer 2] geeft in eerste instantie als signalement van de dader:
- een jongen van Turkse of Marokkaanse afkomst;
- van ongeveer 35 jaar oud;
- bruin haar;
- gekleed in een bruine jas.
In een wat latere verklaring in het ziekenhuis diezelfde avond vult zij het signalement aan met de volgende kenmerken:
- een Turkse man;
- getinte huidskleur;
- tussen de 30 en 40 jaar oud;
- klein en gezet postuur;
- donker/zwart haar, haar was kort met dun haar bovenop;
- opvallende brede wenkbrauwen, borstelachtig; - lichte beige jas met twee zakken aan de voorzijde;
- donkere kleding;
- opvallend loopje, soort pinguïnloopje;
Camerabeelden
Naar aanleiding van het steekincident op de [a-straat] is door de politie de directe omgeving en de route naar en van de plaats delict bekeken op de aanwezigheid van beveiligingscamera's hetgeen heeft geleid tot de volgende bevindingen.
Op de beelden van de Chocolaterie [A] , [a-straat 1] te [plaats] , is te zien dat die nacht rond 03.25 uur een persoon aankomt lopen vanuit [c-straat] en gaat in de richting van de [a-straat] . Hij draagt een donkere broek, donkere schoenen en een lichte jas. Binnen een halve minuut komt dezelfde persoon weer in beeld, nu vanuit de [a-straat] en gaand in de richting van [c-straat] . De persoon draagt een tas op zijn rechter heup. Na ongeveer anderhalve minuut komt dezelfde persoon weer vanuit [c-straat] aanlopen, loopt in de richting van de [a-straat] , blijft even staan, draait zich om en loopt weer in de richting van [c-straat] .
Omstreeks 03.28 uur die nacht komen twee personen (later geïdentificeerd als beide aangeefsters) vanuit boven in beeld en lopen in de richting van de [a-straat] het beeld uit.
Na ongeveer een halve minuut komt een persoon vanuit [c-straat] , rennend in beeld en gaat in de richting van de [a-straat] . Omstreeks 03.30 uur komt diezelfde persoon weer rennend in beeld, komende uit de [a-straat] en gaande in de richting van [c-straat] , de hoek om in de richting van de [d-straat] .
Op de beelden, op 29 juni 2018 tussen 03.00 en 04.00 uur geregistreerd vanaf de vestiging van Albert Heijn op de [e-straat 1] te [plaats] , is een persoon (in het proces verbaal aangeduid als persoon 1) te zien die vanuit de [f-straat] komt aanlopen. Deze persoon loopt de Chocolaterie een keer voorbij, om vervolgens terug te keren in de richting van het verkeerslicht bij [c-straat] . Vanuit het centrum komen persoon 2 en 3 aanlopen (later herkend als de beide slachtoffers). Op het moment dat zij de straat oversteken, loopt persoon 1 op hen af. Persoon 2 en 3 lopen langs de Chocolaterie verder de [a-straat] in, het beeld uit. Persoon 1 rent in de richting van persoon 2 en 3 en verdwijnt ook uit beeld. Na nog geen minuut komt persoon 1 weer aanrennen en gaat in de richting van [c-straat] .
Op de beelden van [B] , [i-straat 1] te [plaats] , is omstreeks 03:31 uur een man te zien die komt uit de richting van de [d-straat] en loopt in de richting van de [g-straat] . De man zwaait opvallend met zijn linkerarm, zijn rechterarm houdt hij nagenoeg stil. Hij is stevig tot dik, draagt een schoudertasje, een donkere broek en donkere schoenen.
Deelconclusie: de persoon op de beelden is ook de dader van de tenlastegelegde feiten
Op grond van de door aangeefsters opgegeven signalementen en het signalement van de persoon zichtbaar op de camerabeelden, in combinatie met de locatie en het tijdstip van deze beelden, acht het hof bewezen dat de persoon die ter hoogte van de Chocolaterie op de [a-straat] heen en weer loopt en die in het proces-verbaal van de camerabeelden van de Albert Heijn als persoon 1 wordt aangeduid en die op de camerabeelden van ’ [B] op de [i-straat] is te zien een en dezelfde persoon is en dat deze persoon als dader betrokken is bij het tenlastegelegde steekincident en de tenlastegelegde bedreiging.
Is de verdachte de dader?
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte de persoon op de beelden is en daarmee als dader van het steekincident en de bedreiging kan worden aangemerkt.
Verdachte ontkent de persoon op de beelden te zijn.
Verdachte wordt door meerdere getuigen herkend wanneer een compilatie van de eerdergenoemde camerabeelden worden vertoond bij het televisieprogramma Opsporing Verzocht. De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de camerabeelden van slechte kwaliteit zijn en dat de gelaatskenmerken niet waarneembaar zijn, hetgeen aan een herkenning van de verdachte als de persoon op de beelden in de weg staat. Voorts zijn in de optiek van de verdediging de herkenning van de verdachte op de beelden door getuigen niet onbevangen tot stand gekomen, hetgeen afbreuk doet aan de bewijswaarde.
Herkenning
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Factoren zoals intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag of bewegende beelden dan wel foto's (stills) zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte is te zien en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar en met of zonder voorinformatie) zijn in dit verband van belang.
Herkenning van een persoon op beeld vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, lengte, postuur, houding, kleding en accessoires en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Aldus spelen verschillende elementen daarbij een rol, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen. Dat moeilijk te rationaliseren holistische karakter maakt ook dat het enkele feit dat de kwaliteit van de camerabeelden te wensen overlaat of dat de verdachte daar maar ten delen op valt te zien, niet hoeft te betekenen dat de herkenning onbetrouwbaar is. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft/hoe beter men de betrokken persoon kent, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Wie iemand goed kent, heeft immers maar weinig nodig om hem of haar te herkennen.
In totaal verklaren 16 personen dat zij de verdachte op de beelden hebben herkend. Onder deze 16 personen bevinden zich 4 familieleden van de verdachte. Bij de overige getuigen gaat het onder meer om personen die de verdachte kennen van werk en/of casinobezoek dan wel vanuit de wijk waarin zowel de getuigen als de verdachte woonachtig zijn of zijn geweest. Van een groot deel van deze getuigen kan derhalve worden gesteld dat zij een meer dan oppervlakkige mate van bekendheid hebben met de verdachte, sterker nog veel getuigen kennen de verdachte al jaren. Verdachte wordt herkend vanaf bewegende beelden aan zijn postuur, houding, typische wijze van voortbewegen, de kleding en het op kruislingse wijze dragen van een tas. Met name het typische loopje wordt door vrijwel alle 16 getuigen benoemd. Aangeefster [slachtoffer 2] heeft ook verklaard dat de dader een typisch loopje had. En ook de verbalisant die de camerabeelden van [B] heeft bekeken, maakt een opmerking over de wijze van voortbewegen van de dader. Dat bij de uitzending van Opsporing Verzocht is benoemd dat de dader een aparte, herkenbare manier van lopen heeft/een typisch loopje heeft, is naar het oordeel van hof geen voorinformatie die afdoet aan de betrouwbaarheid van de herkenningen van de getuigen nu uit de getoonde beelden, met name die van ’ [B] , ook daadwerkelijk volgt dat de dader een apart loopje heeft.
De door het hof bij de beoordeling van de herkenningen te betrachten behoedzaamheid brengt met zich mee dat het hof een aantal “herkenningen” niet voor het bewijs zal bezigen nu deze tot stand lijken te zijn gekomen op grond van aan de desbetreffende getuige verschafte voorinformatie.
Het hof ziet aangaande de resterende verklaringen, inhoudende de herkenning van de verdachte op de camerabeelden, geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid daarvan te twijfelen. In de voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen beschrijven de betreffende getuigen dat loopje op een authentieke wijze zoals door henzelf eerder waargenomen. Bovendien is hun herkenning tevens gebaseerd op andere specifieke uiterlijke kenmerken die zij toeschrijven aan de verdachte als houding, postuur, kleding (beige jas) en (wijze van dragen van) een tas. De betrouwbaarheid van hun herkenning wordt verder versterkt door het aantal zelfde herkenningen en het feit dat ook de door aangeefsters opgegeven signalementen de verdachte op onderdelen zoals afkomst, haarkleur, een typisch loopje, en de mate van beharing bovenop de schedel, overeenstemmen met het signalement van de verdachte.
Het hof schuift het rapport van het looppatroon analyse van de afdeling Bewegingswetenschappen van de Universitair Medisch Centrum Groningen, van de Rijksuniversiteit Groningen van 2 maart 2020 terzijde, nu dit rapport geen aandacht besteed aan houding van hoofd, borst en arm en in dit rapport uitdrukkelijk is vermeld dat een paar opvallende kenmerken (zowel de dader als de verdachte vertonen een heupflexie (bilpartij meer naar achter) tijdens het lopen en beide personen vertonen een voorkeur voor een forse armzwaai met de linkerarm, terwijl de rechterarm stilgehouden wordt) niet zijn meegenomen in de likelihood ratio. Deze kenmerken worden wel opvallend genoemd door de deskundigen. Het hof merkt op dat de getuigen de verdachte onder meer aan deze opvallende kenmerken hebben herkend en dat ook de verbalisant die de camerabeelden van [B] bekijkt deze opvallende kenmerken (althans één er van) waarneemt.
Deelconclusie: de persoon op de beelden is verdachte
De vraag of de verdachte de persoon op de beelden is en daarmee als dader van het steekincident kan worden aangemerkt, beantwoordt het hof dan ook bevestigend.
Nadere bewijsoverweging niet betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde feit
Ondanks dat de precieze toedracht van het steekincident op basis van de aangiften en verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet kan worden gereconstrueerd stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Uit de aan het strafdossier toegevoegde letselbeschrijving en letselinterpretatie blijkt dat het steekincident bij aangeefster [slachtoffer 1] een grote snijwond, dwars door meerdere spierlagen, heeft teweeg gebracht, verlopend van de voorzijde van de bovenarm juist onder het schoudergewricht richting handwaarts over de voorzijde van de bovenarm tot ongeveer 2/5 van de arm. De lengte van de wond wordt geschat op 20 tot 30 cm en de diepte op 3 tot 6 cm. De forensisch arts acht als voorwerp waarmee de verwonding is toegebracht een steekmes of koksmes waarschijnlijker dan een Stanleymes of afbreekmes aangezien deze tekort zullen zijn om met één snede dan wel houw de diepte door de spier te halen en tevens het hele traject te doorsnijden.
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat de dader versneld op hen af kwam lopen. [slachtoffer 1] verklaart eerst door de dader tegen haar linker been te zijn geschopt en vervolgens te zijn gestoken.
Het bovenstaande brengt het hof tot het oordeel dat verdachte in beweging, met een scherp voorwerp, met een snijgedeelte langer dan een Stanleymes of afbreekmes, met kracht gelet op het verloop van de verwonding, bovenhands ter hoogte van het bovenlichaam op [slachtoffer 1] heeft ingestoken.
Is er sprake van poging tot doodslag op [slachtoffer 1] ?
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg — zoals hier de dood — is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een* kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Het hof oordeelt dat het steken in het lichaam ter hoogte van het bovenlichaam, verricht op de wijze zoals de verdachte dat heeft gedaan, te weten in versnelde beweging, bovenhands en met kracht instekend op een bewegend persoon, een aanmerkelijke kans in het leven roept dat aangeefster daardoor komt te overlijden. Alhoewel de verdachte [slachtoffer 1] niet in een slagader of vitale organen heeft geraakt, bevinden zich in de omgeving van het gebied waar aangeefster is gestoken wel belangrijke (slag)aderen en vitale organen. Dat geldt niet alleen voor het bovenlichaam zelf(de romp), maar ook voor de bovenarm waarin de verdachte [slachtoffer 1] heeft geraakt. Een steekverwonding in het bovenlichaam kan snel tot de dood leiden. Dit is een algemene ervaringsregel, zodat een ieder – en dus ook verdachte – wetenschap heeft van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het op een dergelijke wijze aldaar te steken met een dergelijk scherp voorwerp, is bovendien naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood van [slachtoffer 1] dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties, waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet bewust heeft aanvaard, is niet gebleken.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich schuldig gemaakt een poging tot doodslag, zodat het hof het onder 1 primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht.
Ook het onder 2 tenlastegelegde feit acht het hof gelet op de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen.”

3.Het eerste middel

3.1
In het eerste middel wordt geklaagd dat het onbegrijpelijk is dat het hof de verklaringen van de zus, neef en een van de nichtjes van de verdachte alsmede de verklaring van getuige [betrokkene 8] tot het bewijs heeft gebezigd. Derhalve is de bewezenverklaring niet toereikend gemotiveerd.
3.2
In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat in het oordeel van het hof dat het bij de beoordeling van het bewijs behoedzaamheid zal betrachten en een aantal herkenningen niet voor het bewijs zal bezigen, omdat deze tot stand lijken te zijn gekomen op grond van aan de desbetreffende getuige verschafte informatie, besloten ligt dat herkenningen door getuigen die voorinformatie hadden niet betrouwbaar genoeg zijn. Zonder nadere motivering is het onbegrijpelijk dat het hof de verklaringen van de voornoemde getuigen tot het bewijs heeft gebezigd, omdat – ten aanzien van de verklaringen van de zus, neef en een van de nichtjes van de verdachte – uit de verklaringen zelf blijkt dat ze voorkennis hadden en – ten aanzien van de verklaring van getuige [betrokkene 8] – uit hetgeen de verdediging ten aanzien van deze verklaring heeft aangevoerd in navolging van de overwegingen van de rechtbank op dit punt blijkt dat de getuige voorkennis had.
Het juridische kader
3.3
Het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter, die een grote mate van vrijheid toekomt hiervan tot het bewijs te bezigen wat deze uit oogpunt van betrouwbaarheid geschikt acht, is ook van toepassing op herkenningen die door getuigen of opsporingsambtenaren aan de hand van videobeelden worden gedaan. De betrouwbaarheid van dit soort herkenningen behoren tot het domein van de feitenrechter en kunnen in cassatie slechts terughoudend worden getoetst. De Hoge Raad doet klachten die hierop betrekking hebben meestal af op de voet van art. 80a of 81 lid 1 RO.
3.4
Mijn voormalig ambtgenoot AG Knigge heeft in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van 17 maart 2020 [1] aan de hand van voorbeelden ontleend aan conclusies van ambtgenoten, getracht uitgangspunten te vinden die bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van dit soort herkenningen een rol zouden kunnen spelen. In de meeste door hem besproken gevallen gaat het om herkenningen van verdachten op camerabeelden door opsporingsambtenaren. Knigge maakt onderscheid tussen twee typen herkenningen, namelijk herkenningen door opsporingsambtenaren die de verdachte goed kenden van vorige gelegenheden en herkenningen waarbij dit niet het geval is. Met betrekking tot de eerste categorie merkt hij op dat diverse factoren een rol spelen bij beoordeling van de betrouwbaarheid, te weten “de intensiteit en de frequentie van de eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn, de vraag of bewegende beelden dan wel foto’s (stills) zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte te zien is en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar; met of zonder voorinformatie)”. Daarnaast kan betekenis toekomen aan de aanwezigheid van steunbewijs en de procesopstelling van de verdachte. Knigge komt tot de conclusie dat herkenningen van het eerste type op zich weinig problematisch zijn. [2]
3.5
Verder schrijft hij dat het niet zo is “dat een opsporingsambtenaar beter in staat is om personen te herkennen dan een rechter, het is wel zo dat een opsporingsambtenaar die de verdachte goed kent, een completer herinneringsbeeld heeft van de verdachte dan de rechter die de verdachte alleen op de zitting heeft gezien”. Hier maak ik uit op dat hij meent – en hier sluit ik mij bij aan – dat het van belang is of de herkenning heeft plaatsgevonden door een opsporingsambtenaar die de verdachte reeds goed kende. Datzelfde zal het geval zijn bij herkenningen door bekenden van de verdachte die geen opsporingsambtenaar zijn.
Bespreking van het eerste middel
3.3
De steller van het middel komt op tegen het tot het bewijs bezigen van de herkenning van de verdachte op de camerabeelden door de zus, neef en een van de nichtjes van de verdachte alsmede door getuige [betrokkene 8] . Naar mijn mening slaagt dit middel niet.
3.4
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof kennelijk heeft geoordeeld “dat verklaringen van getuigen die alvorens zij verklaren de verdachte als persoon op de beelden te herkennen informatie hebben bekomen waaruit volgt dat de persoon op de beelden verdachte is, niet betrouwbaar genoeg zijn (vanwege een gebrek aan neutraliteit/onafhankelijkheid dan wel vanwege sturing) om tot het bewijs te kunnen worden gebezigd”. Daarom acht de steller van het middel het onbegrijpelijk dat het hof wel de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 8] voor het bewijs heeft gebruikt.
3.5
De steller van het middel gaat hierbij uit van een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft slechts geoordeeld dat het een aantal getuigenverklaring die
tot standlijken te zijn gekomen op grond van voorinformatie, niet voor het bewijs zal bezigen. Kennelijk heeft het hof ten aanzien van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 8] geoordeeld dat dit beletsel bij deze verklaringen niet speelde.
3.6
Wat betreft de vraag of het oordeel van het hof dat de verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 8] betrouwbaar zijn – in welk oordeel ligt besloten dat deze niet lijken te zijn beïnvloed door voorinformatie – begrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd, is het volgende van belang.
3.7
Ten eerste wijs ik erop dat het hof uiteen heeft gezet dat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning factoren van belang zijn zoals “de intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag of bewegende beelden dan wel foto's (stills) zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte is te zien en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar en met of zonder voorinformatie)”. [3] In dit verband heeft het hof de aandacht gevestigd op het feit dat vier van de zestien personen die de verdachte hebben herkend familieleden zijn en dat het bij de overige getuigen gaat om personen die de verdachte kennen van werk en/of casinobezoeken dan wel vanuit de wijk waarin zowel de getuigen als de verdachte woonachtig zijn of zijn geweest en dat derhalve voor een groot deel van de getuigen kan worden gesteld dat ze meer dan een oppervlakkige mate van bekendheid hadden met de verdachte of hem zelfs al jaren kende.
3.8
Tegen deze achtergrond meen ik dat het kennelijk oordeel van het hof dat de verklaringen van [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] niet lijken te zijn beïnvloed door voorinformatie niet onbegrijpelijk is. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het neefje ( [betrokkene 3] ) en de zus ( [betrokkene 2] ) van de verdachte samen met zijn nichtje zijn gehoord. Tijdens dit verhoor zijn zij geconfronteerd met de camerabeelden van de dader van de steekpartij. [4] Alhoewel het verre van optimaal is om drie getuigen tegelijkertijd te verhoren, doet dit wat mij betreft niet af aan het feit dat het hier gaat om naaste familie van de verdachte en dat het neefje van de verdachte “meteen” heeft aangegeven dat het om de verdachte ging en ook de zus van de verdachte naar aanleiding van vragen van de verbalisanten heeft bevestigd dat de verdachte op de beelden was te zien (bewijsmiddel 8).
3.9
Het andere nichtje ( [betrokkene 1] ) van de verdachte heeft verklaard dat zij door de voornoemde zus van de verdachte is gebeld met de mededeling dat de man op de beelden de verdachte was. Daaruit volgt weliswaar dat ze voorinformatie had, maar dit doet wat mij betreft niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, nu het gaat om een familielid van de verdachte die hem zonder voorbehoud heeft geïdentificeerd. Uit haar verklaring blijkt immers dat ze (toen ze werd gebeld) het in eerste instantie niet geloofde en “niet wist wat [haar] overkwam”, maar toen ze de beelden op Opsprong verzocht bekeek, ze de verdachte – ondanks de slechte beeldkwaliteit – “meteen” herkende aan zijn “loopje, zijn petje, postuur en voor 80% aan zijn tas” (bewijsmiddel 7).
3.1
Voor getuige [betrokkene 8] ligt dit niet anders. Alhoewel ook hij voorinformatie had – hij was immers door een vriend gebeld met de mededeling dat hij naar de beelden op Opsporing Verzocht moest kijken, omdat de laatstgenoemde dacht dat de verdachte op de beelden te zien was – is ook hier voor het hof kennelijk doorslaggevend geweest dat getuige [betrokkene 8] de verdachte al jaren kende en dat hij hem specifiek heeft herkend aan zijn postuur, zijn loopje en zijn tasje.
3.11
Ten overvloede wijs ik erop dat de verklaringen van de getuigen voor wat betreft het opvallende loopje van de verdachte steun vinden in het signalement dat getuige [slachtoffer 2] van de dader van de steekpartij heeft gegeven (bewijsmiddel 3), het relaas van de verbalisant (bewijsmiddel 6) en andere getuigenverklaringen (bewijsmiddelen 9, 10, 12, 13 en 14). Getuige [betrokkene 8] heeft ook verklaard dat hij de verdachte heeft herkend aan zijn postuur en zijn tasje. Dit geldt ook voor het nichtje van de verdachte, die verder het petje van de verdachte noemt. Voor wat betreft het petje en het tasje vinden deze verklaringen steun in de verklaring van het andere nichtje van de verdachte dat haar oom altijd een petje en een tas bij zich had (bewijsmiddel 8).
3.12
Al met al meen ik dat het oordeel van het hof om de voornoemde getuigenverklaringen voor het bewijs te bezigen niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. [5]
3.13
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, omdat het oordeel van het hof dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden niet zonder meer begrijpelijk is.
4.2
Daartoe wordt in de toelichting op het middel het volgende aangevoerd. In de eerste plaats blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat de verdachte bovenhands in een versnelde beweging heeft ingestoken op een bewegend persoon. Dit is van belang, omdat het hof in zijn bewijsoverwegingen suggereert dat het slachtoffer hierdoor net zo goed had kunnen worden geraakt op een andere plek in het bovenlichaam waar zich belangrijke slagaderen dan wel vitale organen bevinden. De bewijsmiddelen laten derhalve de mogelijkheid open dat eenmaal doelbewust in de arm is gestoken/gesneden; dit levert niet zonder meer de aanmerkelijke kans op overlijden op. Verdachtes uiting “ik steek je” of “ik kan jullie steken” maakt dat niet anders, omdat hij deze bedreiging ook naar de vriendin van het slachtoffer heeft geroepen, maar deze verder onberoerd heeft gelaten.
Het juridische kader
4.3
Voor het oordeel dat de verdachte in het onderhavige geval willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden als gevolg van de steekpartij is een drietal aspecten van belang. Ten eerste moet sprake zijn geweest van een aanmerkelijke kans dat de dood zou intreden als gevolg van het handelen van de verdachte. [6] Ten tweede moet de verdachte wetenschap hebben gehad van deze kans. [7] Ten derde moet de verdachte een handeling hebben begaan waarin zijn aanvaarding van de aanmerkelijke kans op de dood besloten ligt. Bij dit derde aspect is van belang dat “[b]epaalde gedragingen […] naar hun uiterlijke verschijningsvorm [kunnen] worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.” [8]
4.4
Of in een geval sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood hangt sterk af van de omstandigheden van het geval. Een steekwond in de buurt van de torso is al snel afdoende voor het vaststellen van voorwaardelijk opzet. [9] Wel is van belang dat de aard en ernst van de verwonding alsmede de precieze plaats daarvan duidelijk uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. [10]
Bespreking van het tweede middel
4.5
De steller van het middel valt het oordeel van het hof op drie punten aan, namelijk dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte (i) bovenhands, (ii) in een versnelde beweging en (iii) op een bewegend persoon heeft ingestoken.
4.6
Het onder (i) aangevoerde stuit af op het letselonderzoek (bewijsmiddel 16) waaruit blijkt dat het letsel zich bevindt “op de linker bovenarm beginnend van achter/onder het bovenarmschouder gewricht diagonaal naar voren tot op 2/5 van de bovenarm aan de binnenzijde van de bovenarm” en de letselinterpretatie (bewijsmiddel 17) waaruit blijkt dat het letsel een grote snijwond betreft “verlopend van de buitenzijde van de bovenarm juist onder het schoudergewricht richting handwaarts over de voorzijde van de bovenarm tot ongeveer 2/5 van de arm”. Hieruit heeft het hof mijns inziens op niet onbegrijpelijke wijze afgeleid dat het letsel neerwaarts is toegebracht en dat de verdachte dus bovenhands heeft gestoken. Bovendien merk ik op dat ook als dit niet het geval was geweest, dit mijns inziens van ondergeschikt belang zou zijn voor beantwoording van de vraag of de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van de aangeefster heeft gehad.
4.7
Wat betreft het onder (ii) aangevoerde merk ik op dat een stekende beweging altijd een versnelling behelst, zodat dit argument geen doel treft. Voor zover het middel klaagt dat het hof hiermee tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte zelf in beweging was toen hij stak en dat dit niet uit de bewijsmiddelen blijkt, faalt het ook, omdat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte versneld op de aangeefster is af komen lopen, haar heeft geschopt en vervolgens heeft gestoken.
4.8
Ten aanzien van punt (iii) merk ik op dat uit de verklaringen van de aangeefster (bewijsmiddel 1) blijkt dat zij en getuige [slachtoffer 2] over straat liepen en dat zij vervolgens is geschopt en gestoken door een man. Getuige [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de man in versnelde pas op hun af kwam lopen (bewijsmiddel 3), de aangeefster voor “hoer” uitmaakte en haar meteen hierop heeft neergestoken (bewijsmiddel 2). Gezien de uit de bewijsmiddelen naar voren komende dynamische situatie (het versneld op de aangeefster aflopen, schoppen en vervolgens steken terwijl het slachtoffer over straat liep) meen ik dat het hof heeft kunnen oordelen dat de verdachte heeft ingestoken op een bewegend persoon en dat er dus een aanmerkelijke kans bestond dat vitale organen in de romp op fatale wijze zouden worden geraakt.
4.9
Bovendien heeft het hof vastgesteld dat de verdachte met een mes met een langer snijgedeelte dan een Stanleymes of afbreekmes met zo’n kracht in de arm van de aangeefster heeft gestoken dat een wond van drie tot zes centimeter diepte is ontstaan op een plaats waar ook slagaders lopen, doorsnijding waarvan een levensbedreigende situatie oplevert. Het oordeel van het hof dat de verdachte hiermee de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangeefster als gevolg hiervan zou kunnen komen te overlijden, is mijns inziens dan ook niet onbegrijpelijk. Hierbij kon en mocht het hof wat mij betreft betrekken dat “[h]et op een dergelijke wijze aldaar te steken met een dergelijk scherp voorwerp […] bovendien naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht is op de dood van [slachtoffer 1] dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard” en dat van contra-indicaties niet is gebleken. [11] Dit temeer nu uit de bewijsmiddelen ook blijkt dat de verdachte alvorens te steken iets in de trant van “ik steek jullie neer” heeft geroepen.
4.1
Al met al meen ik dat het oordeel van het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van de aangeefster niet onbegrijpelijk is en tevens toereikend is gemotiveerd.
4.11
Het middel faalt.

5.Het derde middel en de bespreking daarvan

5.1
Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
5.2
Deze klacht is gegrond. De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. Namens de verdachte is op 11 juli 2022 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 15 februari ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, hetgeen gelet op het arrest van 17 juni 2008 [12] betekent dat de inzendtermijn van zes maanden met ruim een maand is overschreden; dit moet volgens de gebruikelijke maatstaf tot strafvermindering leiden.

6.Slotsom

6.1
Het eerste en het tweede middel falen. Nu de verdachte door de rechtbank is vrijgesproken van het tenlastegelegde en in cassatie tevergeefs is geklaagd over de bewijsvoering en bewezenverklaring van dit feit door het hof, ligt afdoening met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering ten aanzien van deze middelen niet in de rede. [13] Het derde middel slaagt.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, hetgeen eveneens dient te leiden tot vermindering van de opgelegde straf volgens de gebruikelijke maatstaf. [14]
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Conclusie AG Knigge 17 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1316, voorafgaand aan HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:452.
2.Conclusie van AG Knigge onder 4.9. Vgl. in dit verband ook HR 25 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:3084 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 RO Pro) (herkenning op camerabeelden van de verdachte door verbalisanten die hem reeds kenden, terwijl de naam van de verdachte al voor het bekijken van de beelden was genoemd); HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:2686 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 RO Pro) (herkenning door verbalisant die de verdachte al lang kende en veelvuldig contact met hem had); HR 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:1378 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 RO Pro) (herkenning door verbalisanten die goed contact hadden met de jeugd in de wijk waartoe ook de verdachte behoorde; beelden waren van dusdanige kwaliteit dat deze een herkenning van de daarop afgebeelde individuen toeliet); HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2251 (HR: art. 81 RO Pro) (herkenning van de verdachte – eerst op een in een nieuwsbrief van de politie opgenomen still en later op de camerabeelden zelf – door twee verbalisanten die veelvuldig contact met hem hadden); en HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:468 (HR: art. 81 RO Pro) (herkenning door meerdere verbalisanten die de verdachte goed kenden en waarbij door de verbalisanten specifieke kenmerken waren genoemd waaraan zij de verdachte hadden herkend). Zie in dit verband ook M.J. Dubelaar, Betrouwbaar getuigenbewijs: Totstandkoming en waardering van
3.Ik vermoed dat het hof gelet op zijn bewoordingen aansluiting heeft gezocht bij de bevindingen van de hiervoor aangehaalde conclusie van AG Knigge, 17 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1316.
4.Het oordeel van het hof dat de persoon die is te zien op de camerabeelden de dader van de steekpartij is, wordt in cassatie niet bestreden.
5.Vgl. HR 25 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:3084 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 RO Pro). Uit de in de conclusie van AG Vegter weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat aan de verbalisanten reeds voor het bekijken van de beelden was verteld dat de verdachte wellicht op de beelden was te zien (zie bewijsmiddelen 8 en 9). Het hof overwoog “[d]at de verbalisanten voorafgaand aan het bekijken van de camerabeelden reeds de naam van de verdachte hadden gehoord alsmede dat zij de beelden in het bijzijn van anderen hebben bekeken, […] niet af[doet] aan die herkenningen”.
6.HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, m.nt. Buruma (HIV-I), rov. 3.6 en HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9659, NJ 2007/313, m.nt. Buruma (HIV IV), rov. 4.3. Onder “de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans” dient volgens de Hoge Raad te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met deze formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak gebruikte formulering "de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans" (HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, m.nt. Wolswijk, NJ 2019/103, rov. 5.3.2). Zie ook de recente conclusie van mijn ambtsgenoot AG Aben (onder 11-17) voor HR 11 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1907 (HR: art. 81 RO Pro) waarin hij uitgebreid ingaat op het beoordelingskader inzake (het aanvaarden van) een aanmerkelijke kans.
7.HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, m.nt. Buruma (HIV-I), rov. 3.6.
8.HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, m.nt. Wolswijk, NJ 2019/103, rov. 5.3.3.
9.Zie onder meer HR 25 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM2485 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 RO Pro) (steken in de linkeroksel); HR 1 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8027 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 RO Pro) (messteek in de buik); HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5982, rov. 4.4 (met kracht diep in de rug steken); HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8482, rov. 2.4 (met een mes (t.a.v. het eerste slachtoffer) eenmaal en (t.a.v. het tweede slachtoffer) meermalen in de rechterflank/onderrug steken); HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:694 (niet gepubliceerd; HR: art. 81 RO Pro) (steken in borststreek); HR 12 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2763, rov. 2.3 (met kracht met een mes in de buikstreek steken); HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:229 (HR: art. 81 RO Pro) (in de rug en borst steken); HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1893 (HR: art. 81 RO Pro) (meermalen met een mes in de schouder en in de rug steken); HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:512 (HR: art. 81 RO Pro) (messteek in de buik met een mes met een lemmet van ongeveer tien centimeter); HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:1029 (HR: art. 81 RO Pro) (meermalen met kracht met een lemmet in de romp proberen te steken); en HR 22 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1714 (HR: art. 81 RO Pro) (steken links laag in de borstkas); HR 11 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:546 ( het uithalen met een gebroken flesje naar de hals/kin slachtoffer).
10.HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1871, rov. 2.3 (kennelijk oordeel dat de verdachte door het toebrengen van messteken in de rug en in de achterzijde van het rechterbovenbeen van het slachtoffer willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard, is niet zonder meer begrijpelijk, omdat “uit de inhoud van gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid in welk deel van de rug het slachtoffer is gestoken en evenmin met welke kracht de bewezenverklaarde steken zijn toegebracht, terwijl het Hof over de aard van de verwondingen niet meer heeft vastgesteld dan het gapende scherpgerande wonden betrof”) en HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:975, rov. 2.3 (kennelijk oordeel dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard, is niet zonder meer begrijpelijk, omdat het hof inzake de aard en de gevolgen van de verwondingen niet meer heeft vastgesteld dan dat het gaat om een steekverwonding van twee centimeter in de rug en twee steekverwondingen van één en twee centimeter in de linkerbovenarm).
11.Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0235, NJ 2010/284, m.nt. Keijzer waarin de verdachte had aangevoerd – en deze verklaring was door het hof ook voor het bewijs gebezigd – dat hij het lemmet van het mes expres had verkort tot twee centimeter “zodat [hij] er niet diep mee kon steken”. In dat licht bezien was het oordeel van het hof dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op aangeefsters dood had aanvaard niet zonder meer begrijpelijk.
12.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.3.
13.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. Keijzer, rov. 2.5.
14.HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3489, rov. 3.2.