Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
11 december 2018.
Hoge Raad
Klaagster heeft bij de rechtbank Amsterdam een klaagschrift ingediend tegen het beslag op een geldbedrag van €1.800,- dat op haar en haar partner is gelegd in verband met verdenking van hennepteelt. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond omdat zij onvoldoende informatie had over het beslag en het Openbaar Ministerie zich onthield van een standpunt. De rechtbank oordeelde dat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag vordert.
De Hoge Raad stelt dat bij een klaagschrift tegen een beslag op grond van art. 94 Sv Pro de rechter moet beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag rechtvaardigt. Is dat niet het geval, dan moet teruggave worden gelast, tenzij een ander als rechthebbende kan worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het beslag nodig is om de waarheid aan het licht te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen, of als het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat verbeurdverklaring zal volgen.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd door alleen te stellen dat zonder standpunt van het OM niet kan worden gezegd dat er geen strafvorderlijk belang bestaat. Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden deel van de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor nieuwe behandeling en beslissing op het klaagschrift.
De beslissing van de Hoge Raad is genomen door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 11 december 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beslissing van de rechtbank over het beslag op €1.800,- wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug voor herbeoordeling.