Uitspraak
wonende te [woonplaats],
beiden wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
14 oktober 2015;
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
14 december 2018.
Hoge Raad
In deze zaak vorderde de eigenaar van een schuur de verwijdering van een muurschildering die door de buren was aangebracht. De eigenaar stelde dat sprake was van een onrechtmatige daad en misbruik van bevoegdheid, en baseerde zich op artikel 3:13 BW Pro. De lagere rechterlijke instanties, waaronder de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, behandelden het geschil en oordeelden over de vordering.
De eigenaar stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof, maar de Hoge Raad wees het cassatieberoep af. De Hoge Raad overwoog dat de klachten van de eigenaar niet tot cassatie konden leiden en dat er geen aanleiding was tot nadere motivering, mede gelet op artikel 81 lid 1 RO Pro. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd.
De Hoge Raad veroordeelde de eigenaar tevens in de proceskosten van het cassatiegeding. De uitspraak bevestigt dat het recht op verwijdering van een muurschildering beperkt kan zijn indien sprake is van misbruik van bevoegdheid door de verzoeker.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot verwijdering van de muurschildering wordt niet toegewezen.