ECLI:NL:HR:2018:2314

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 december 2018
Publicatiedatum
13 december 2018
Zaaknummer
18/02760
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslagen loonheffing

Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 mei 2018. Dit arrest betrof het hoger beroep tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant over naheffingsaanslagen loonheffing en de daarbij behorende beschikkingen inzake heffingsrente en boetes over de jaren 2008 en 2009.

De Hoge Raad ontving drie middelen van belanghebbende, waarop de Staatssecretaris van Financiën een verweerschrift indiende. Na beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat er geen aanleiding was voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president G. de Groot als voorzitter, samen met raadsheren M.A. Fierstra en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, op 14 december 2018.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

14 december 2018
Nr. 18/02760
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s‑Hertogenboschvan 18 mei 2018, nrs. 16/03896 en 16/03897, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 14/5531 en 14/5532) betreffende de aan belanghebbende over de tijdvakken 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 en 1 januari 2009 tot en met 9 augustus 2009 opgelegde naheffingsaanslagen in de loonheffing, de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij drie middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2018.