Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde middel
3.Beoordeling van het zesde middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Beslissing
20 februari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor vier verkrachtingen gepleegd in 1995 en 2001. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring onder meer op DNA-onderzoek waarbij een volledig autosomaal DNA-profiel van het spoor op de jurk van de aangeefster van de verkrachting in 2001 overeenkwam met dat van verdachte. Daarnaast werden overeenkomsten in modus operandi en signalementen van de dader vastgesteld.
De verdediging voerde onder meer aan dat contaminatie van DNA-sporen mogelijk was en dat verdachte ten tijde van het vierde feit gesteriliseerd was, waardoor sperma niet kon zijn achtergelaten. Het hof verwierp deze verweren, stellende dat de aanwezigheid van PSA in spermavloeistof ook bij gesteriliseerde mannen mogelijk is en dat contaminatie niet aannemelijk was. Verder werden ontlastende omstandigheden door het hof niet zwaarwegend geacht.
Ten aanzien van de procesrechtelijke vraag bevestigde de Hoge Raad dat art. 278 lid 2 Sv Pro een wettelijke grondslag biedt voor het bevel tot medebrenging van verdachte voor het bijwonen van de uitspraak, waarmee de rechtbank het bevel tot medebrenging rechtmatig had gegeven.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het hofarrest. Het arrest benadrukt het belang van DNA-schakelbewijs in combinatie met andere bewijsmiddelen en bevestigt de reikwijdte van art. 278 lid 2 Sv Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de bewezenverklaring en het bevel tot medebrenging op grond van art. 278 lid 2 Sv.