ECLI:NL:HR:2018:2372

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2018
Publicatiedatum
20 december 2018
Zaaknummer
17/05998
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 157 RvArt. 158 RvArt. 159 Rv
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging arrest over bewijskracht onderhandse akte bij overeenkomst van geldlening

In deze zaak stond de bewijskracht van een onderhandse akte in het kader van een overeenkomst van geldlening centraal. Eiser, handelend als vereffenaar van een nalatenschap, stelde dat de akte voldoende bewijs leverde voor zijn vordering. Verweerders betwistten dit en stelden zich op het standpunt dat de akte niet volstond.

Het geding in de feitelijke instanties betrof een vonnis van de rechtbank Den Haag en daaropvolgende arresten van het gerechtshof Den Haag. Tegen deze arresten werd cassatie ingesteld door eiser en incidenteel door verweerder 1. De Hoge Raad heeft de middelen van beide partijen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad verwees naar artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en stelde dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakden. Het cassatieberoep werd verworpen en de kosten van het geding werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Tanja-van den Broek en Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door Polak op 21 december 2018.

Uitkomst: Het cassatieberoep en het incidentele cassatieberoep zijn verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

21 december 2018
Eerste Kamer
17/05998
TT/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
Mario Dennis WINTER, handelend in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflater] ,
wonende te Den Haag ,
EISER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
t e g e n
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. C.G.A. van Stratum,
2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Eiser zal hierna ook worden aangeduid als Winter q.q. Verweerder onder 1 zal hierna worden aangeduid als [verweerder 1] .

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/09/451641/HAZA 13-1094 van de rechtbank Den Haag van 3 december 2014;
b. de arresten in de zaak 200.164.733/01 van het gerechtshof Den Haag van 11 oktober 2016 en 19 september 2017.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft Winter q.q. beroep in cassatie ingesteld. [verweerder 1] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Winter q.q. en [verweerder 1] hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor Winter q.q. toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van zowel het principale cassatieberoep als het incidentele cassatieberoep.
De advocaat van Winter q.q. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
in het principale en in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep;
in het principale en in het incidentele beroep voorts:
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
21 december 2018.